Het hele land is mijn familie

De Italiaanse premier Berlusconi zorgde als voorzitter van de Europese Unie meteen al voor onrust in de tent. Wat zegt dat over Italië, en wat belooft het voor Europa? In drie boeken worden culturele cliché's en politieke werkelijkheid van Italië tegen het licht gehouden.

Italië is een voorloper. Altijd geweest. De Romeinen waren de stamvaders van Europa. Het christendom is ondenkbaar zonder de kerk van Rome, die ook als cultuurdrager onmisbaar is. De Renaissance is bakermat van de moderniteit, in zowel kunst als kapitalisme. Het komt allemaal uit Italië. Tot zover is iedereen zonder morren akkoord.

We kunnen verder gaan. Ook meer recent is Italië vaak trendsetter geweest. Het fascisme is als eerste in Italië aan de macht gekomen. Het terrorisme is een oude bekende in Italië, al sinds de late jaren zestig. Nu begint zich een medelijdende glimlach op de lippen van de gesprekspartner af te tekenen.

Toch kunnen we nóg verder gaan, om hem helemaal op de kast te jagen. Vormen de Italianen in design en mode niet nog steeds de absolute voorhoede? En eten we tegenwoordig niet allemaal ham en kaas uit Parma? Of neem de bouwfraude die onlangs in Nederland zoveel verontwaardiging teweegbracht: opnieuw was Italië ons voor, en niet zo'n beetje ook.

Ten slotte is er Silvio Berlusconi, de man die Italië eerst heeft opgekocht, vervolgens politiek tot de zijne heeft gemaakt, en het nu als een peetvader beheert. Is ook deze premier, die stamgast is in de beklaagdenbank, die de rechter zijn onafhankelijkheid tracht te benemen, die de persvrijheid bedreigt met zijn vrijwel onbetwiste monopolie op de media, die heel Italië zijn `familie' noemt en de toekomst van het land zijn hoogstpersoonlijke droom, is ook hij een voorloper?

De glimlach van onze gesprekspartner verstart nu. Wat een onzin! Italië is politiek en sociaal achterlijk, en Berlusconi bewijst dat. De staat, de liberale democratie, heeft nooit vat op het land gekregen, dat is het ware politieke probleem. Het is er heerlijk, mooi weer, mooie kunst, lekker eten, veel emotie! Maar om te leven en te werken, te vorsen en te plannen, voor gezonde financiën, een humane samenleving en een gezonde politieke cultuur moeten we weer terug naar huis, naar het Noordwesten van Europa.

En toch stelt Berlusconi, als tijdelijk aanvoerder van de Europese Unie, zijn collega-politici en zijn commentatoren voor grote problemen. Berlusconi kwam pas geleden luidruchtig in het nieuws door zijn antwoord aan de Duitse sociaal-democraat Schulz (op beschuldigingen van belangenverstrengeling en manipulatie) in het Europarlement. Schulz zou geschikt zijn voor de rol van `kapo' in een Italiaanse film over de Duitse concentratiekampen. Berlusconi had wel een producer in dienst die zo'n film aan het maken was. Kritische Europarlementariërs waren eigenlijk `toeristen in de democratie', die wat vaker de Italiaanse zon zouden moeten opzoeken. Dan zouden ze zien dat Belusconi de beschermheer van de Italiaanse, en daarmee van de Europese cultuur was. Dat vrijheid van meningsuiting nergens zo evident was als in de door hem beheerste media. Zijn eigen controversiële aanval op Schulz was vervolgens niet op het Italiaanse journaal te zien.

Het evidente machismo dat aan de repliek aan Schulz ten grondslag lag (`kom toch in mijn filmindustrie werken') was, ook al werd dat nergens gezegd, bijna nog erger dan de platvloerse verwijzing naar de jodenvervolging. De christen-democraten, in wier Europese gelederen Berlusconi's `Hup Italië' (Forza Italia) is opgenomen, wisten niet hoe te reageren. Blijven zitten maar, gezicht in de noordelijke plooi en doen alsof er niets aan de hand is. Berlusconi was ten slotte een Italiaan, een politieke barbaar. En die historische reputatie van de Italianen lijkt een belangrijke rol te spelen bij het uitblijven van een serieuze poging de premier van Italië als Europees politicus de voet dwars te zetten.

Maar sinds wanneer zijn de Italianen, die toch zulke voorlopers waren, dan bekend geworden als achterlijk?

Een fascinerend licht op deze kwestie wordt geworpen in een mooie recente studie van de Amerikaanse hoogleraar Nelson Moe, The view from Vesuvius. Italian Culture and the Southern Question. Moe bestudeerde de beeldvorming van Italië vanaf de late achttiende tot de late negentiende eeuw, door een nauwkeurige lezing van literaire en politieke teksten, correspondenties en beeldmateriaal van Italianen en buitenlanders uit deze periode. Hij kijkt daarbij vooral naar hoe zijn zegslieden Italië, Europa en het zuiden van het schiereiland met elkaar vergelijken. Het zuiden had al sinds de achttiende eeuw een reputatie die misschien nog het best te illustreren is met een citaat van de econoom William Nassau Sr, die de Britse politicus (en classicus) Gladstone in 1850 vergezelde op reis: `Het was bijna ondraaglijk heet. Geheel de weerzinwekkende bevolking van Napels bevond zich buiten: hangend in de zon, ruziënd, gokkend, en bedelend over de hele weg. In koude landen blijven de laagste klassen tenminste binnen. Hier leven ze op straat. Je bent nooit gevrijwaard van de aanblik, of zelfs de aanraking, van afzichtelijke verloedering. Ik heb nog nooit zo'n afgrijselijk volk gezien, ze zien er net zo verdorven uit als ze smerig en ongezond zijn.'

Anderen, ook Italianen zelf, bleven niet achter. Luigi Carlo Farnini schrijft in 1860 uit Zuid-Italië aan de staatsman Cavour, die driftig aan de Italiaanse eenwording aan het timmeren is: `Ach mijn vriend [..] Wat een barbarij! Dit is Italië niet, dit is Afrika: vergeleken met deze boeren zijn de bedoeïenen het toppunt van beschaving!'

We moeten bij dit citaat beseffen dat het `Koninkrijk van de twee Siciliën', waarvan Napels de hoofdstad was, in de Middeleeuwen gold als een van de meest paradijselijke, vooruitstrevende en gecultiveerde streken van Europa. Ook in de Renaissance bleef het Napolitaanse hof een belangrijk centrum. In de zeventiende-eeuwse Barok tenslotte, gold Napels als de meest mondaine stad van Europa. Wanneer, in de achttiende eeuw, Italië's culturele leiderschap ten slotte verbleekt door de suprematie van Frankrijk en Engeland (zijn politieke autonomie was het land in feite al in de vroege zestiende eeuw ontnomen) en het culturele zelfbewustzijn van Noord-West Europa navenant toeneemt, begint men anders tegen Italië aan te kijken. Alle Europese intellectuelen moeten er nog steeds naar toe, om de Oudheid in situ te aanschouwen, de Oudheid die de nieuwe noord-Europese cultuur zich als het ware had toegeëigend. In deze periode komen drie gemeenplaatsen over Italië tot stand, die een enorme historische doorwerking hebben gehad, tot Berlusconi aan toe. In eerste instantie worden die gemeenplaatsen, zoals Moe laat zien, toegepast op heel Italië en dus niet specifiek op het Zuiden.

In de eerste plaats het klimaat. Vanaf Montesquieu's De l'esprit des lois uit 1748 vindt het al oudere idee dat het klimaat van doorslaggevende invloed is op de cultuur, wijde verspreiding. Mensen uit het noorden, zo redeneert Montesquieu, zijn krachtiger, en dus dapperder dan mensen uit het zuiden: `[...] in noordelijke klimaten zal men mensen vinden die weinig ondeugden hebben, een flink aantal deugden, en veel eerlijkheid en oprechtheid. Als men de zuidelijke landen nadert, zal men denken dat men moraliteit ver achter zich heeft gelaten: de meest levendige passies doen misdaad welig tieren. En iedereen probeert zijn voordeel te behalen op de ander om deze passies te bevredigen.'

Het is interessant zulke gedachten aan te treffen in een tekst die algemeen gezien wordt als de basis van de moderne liberale rechtsstaat. Het wordt misschien ook wat logischer dat iemand als Berlusconi zich aan zo'n rechtsstaat weinig gelegen laat liggen. De Europese identiteit en superioriteit is volgens Montesquieu typisch westelijk, maar ook typisch noordelijk. Het zuidelijke Italië wordt telkens als tegenvoorbeeld aangehaald, en zo slinks tot Fremdkörper binnen Europa gemaakt. Hiermee is een toon gezet, die niet meer zal verdwijnen. Het Zuiden is natuurlijk ook warmer, en daardoor lichamelijker, sensueler, impulsiever. Maar Limburg en Friesland liggen ook allebei in Nederland.

Begin negentiende eeuw komt een tweede reeks aanverwante gemeenplaatsen tot bloei: de typologie van de noordelijke tegenover de zuidelijke mens, die Moe destilleert uit het werk van Charles Victor de Bonstetten (een vriend van Madame de Staël) en als volgt schematiseert: De Man van het Noorden leeft binnenshuis, in een monotone omgeving, is een man van de rede en reflectie, ijverig, maakt plannen, heeft sociaal gevoel en brengt zijn geld naar de bank. De Man van het Zuiden leeft buiten in een weelderige omgeving, geniet van zijn verbeelding, denkt niet aan de toekomst, is een egoïst en heeft geen bank nodig (die er ook niet zijn). De noordelijke man kan worden opgevoed of aangepast, de zuidelijke man niet.

Het is opvallend hoezeer deze checklist van de Bonstetten de sleutel verbergt tot het probleem van Italië. Want het zijn de noordelijke karakteristieken die de Italianen zich hebben willen toeëigenen, en ook zijn gaan toeëigenen vanaf het Risorgimento en de eenwording van het land vanaf 1861. Moe's boek laat haarfijn zien hoe mensen als Cavour en zijn adviseurs de slechte Italiaanse `eigenschappen' zijn gaan lokaliseren in het zuiden, daarbij geholpen door het wanbeleid van de Napolitaanse koningen, de Bourbons van Napels, en de mensonterende armoede en verwaarlozing die zij in het zuiden lieten bestaan. Het noorden daarentegen, spiegelde zich aan Noordwest Europa, voelde zich ijverig, liberaal, vooruitziend en burgerlijk – hoewel mensonterende arbeidsomstandigheden ook in het noorden bestonden. Het zuiden werd in de ban gedaan als de te hervormen rotte plek, maar helaas: volgens diezelfde typologie kon dat helemaal niet. Ziedaar de fameuze Questione Meridionale, het zuidelijke vraagstuk, dat nog steeds niet is opgelost. Nog altijd ligt het zuiden van Italië economisch ver achter bij het noorden.

De typologie van de zuidelijke mens bergt een derde gemeenplaats in zich: de zuidelijke mens wordt gezien als een natuurmens. Het zuiden is door de combinatie van sociale misère en de vervallen oudheden die iedereen er vanaf de zeventiende eeuw ging bekijken, de plaats geworden van het pittoreske, waarin onschuldige mensenkinderen hun primitieve emoties beleven en volmaakt gelukkig zijn. Deze `mythe van het pittoreske' stelde de Europeaan in staat om onder het mom van studie naar de Oudheid, het `andere' in zichzelf te ontdekken, zich te laven aan sensualiteit en verboden seksualiteit, zich natuurlijk te voelen en van dag tot dag te leven, zich kortom een spiegel voor te houden waarin men het deel van zichzelf zag dat door de praktische bezwaren van het noorden werd onderdrukt.

Moe laat goed zien hoe vals die idylle van het pittoreske is. En het zijn telkens weer de grote schrijvers, zoals Leopardi en Verga, die de gemeenplaatsen doorprikken. Leopardi's gedicht La Ginestra blijkt, onder Moe's loep, een herziening van het pittoreske, en een vernietigende kritiek op het liberale vooruitgangsdenken, dat evengoed is onderworpen aan de vernietigende kracht van de Vesuvius, dat wil zeggen van de barre natuur.

De milde variant van de charme van het pittoreske is nog steeds te bespeuren bij de moderne toerist, die niettemin zelden het échte zuiden bezoekt, en net als zijn negentiende-eeuwse voorgangers vaak niet verder komt dan Toscane om daar, op de piazza, wijn te drinken die ook in het vaderland is te krijgen, maar thuis voor minder geld. Toscane is Berlusconi-land geworden. Het is er te netjes, zeker aan de buitenkant.

Dat brengt ons terug bij de cavaliere, zoals Berlusconi vaak wordt genoemd in Italië, liefkozend door de fans met een verwijzing naar het ridderideaal, smalend door de tegenstanders, omdat de titel het laagste lintje is dat de Italiaanse staat te bieden heeft. Het meewarig idee van een achterlijk Italië, zo fervent bestreden door het Risorgimento, is nooit helemaal verdwenen. Daartoe hebben in de twintigste eeuw achtereenvolgens bijgedragen: het pompeuze echec van Mussolini's fascisme, het onvermogen van de christen-democraten om stabiliteit te brengen, de maffia-connecties van recordpremier Andreotti en de corruptie van de socialist Craxi. Het zuiden, zo lijkt het, heeft in de loop van de twintigste eeuw wraak genomen op het noorden door met haar stigmata opnieuw de hele Italiaanse samenleving te brandmerken.

Het is dit cultuurhistorische cliché waardoor velen Berlusconi niet helemaal serieus nemen of onderschatten. Toch is de vraag of Berlusconi desalniettemin een voorbeeld is van de trendsettende kracht van het Italiaans schiereiland daarmeee niet beantwoord. Twee in Italië wonende en docerende Brittten, Paul Ginsborg, hoogleraar geschiedenis in Florence, en Tobias Jones, journalist en docent in Parma, trachten er in recente publicaties antwoord op te geven. De eerste in een compact, uiterst zorgvuldig gedocumenteerd en genuanceerd geformuleerd pamflet, Berlusconi, eerder in een kortere versie verschenen als essay in The New Left Review. De laatste in een enigszins hijgerig, informatief maar wat vooringenomen portret van huidige Italië, The Dark Heart of Italy. Beiden waarschuwen luid en duidelijk voor Berlusconi.

Jones laat helder zien wat er de laatste veertig jaar in Italië is misgegaan. Dat maakt zijn boek tot een uitstekende inleiding in de vaak duistere details van kwesties zoals de terroristische aanslagen vanaf de jaren zestig waarvan nooit duidelijk is geworden of ze nu door rechts of door links zijn begaan, en vele andere onopgeloste raadsels. Hij laat tevens zien hoe idioot groot het verschil in Italië is tussen de formele wet, de regels, de officiële kanalen (de zogenaamde paese legale), en de informele werkelijkheid, het daadwerkelijke bestaan, met de dubbele boekhouding, de wetten en regels die omzeild moeten worden (de paese reale). Italië lijkt soms één grote Romeinse bar waar onder het prominente bord Vietato Fumare een bijna even grote asbak staat, waar de stamgasten gretig gebruik van maken.

Berlusconi is een meester in het bespelen van dit verschil. Hij reageert op aanklachten steevast met een paradox die tegelijkertijd ontkenning en bekentenis is: `Ik heb heus niets gedaan hoor, maar het is toch eigenlijk onmogelijk zonder overtreding van al deze waanzinnige regels nog een bedrijf te leiden.' Veel Italianen denken dan: inderdaad, wij zouden het ook zo doen.

Toch ziet Jones ál te veel complotten. Hij stelt Italië voor als een land in staat van beleg. Dat is het niet. De bedreiging is veel subtieler. Aan die subtiliteit doet Ginsborg, beroemd als historicus van modern Italië (hij publiceerde eerder Italy and its Discontents), volledig recht. Ginsborg legt uit dat de twee grote woorden waar Berlusconi mee schermt, vrijheid en democratie, in de praktijk een heel andere lading dekken dan in West-Europa doorgaans gebruikelijk is. Berlusconi's vrijheid is, om met een klassiek onderscheid te beginnen, `negatieve' vrijheid: de vrijheid om niet lastig gevallen te worden, de vrijheid zelfs om te sjoemelen. Dat lijkt liberalisme pur sang, maar met zulk liberalisme is de monopolie-positie van Berlusconi in media en publieke werken volledig strijdig. De `positieve' vrijheid, die Ginsborg omschrijft als het actief realiseren van individuele doelen binnen een duidelijk collectief normatief kader, is volgens Berlusconi een complot van de communisten, schaadt de negatieve vrijheid, en maakt dus onvrij. Maar juist die vrijheid lijkt in een land met een traditioneel zwakke greep van de staat op de samenleving – onbetwistbaar een gevolg van de late eenwording an de staat Italië – van essentieel belang. Eigenlijk bevestigt Berlusconi met zijn pleidooi voor negatieve vrijheid slechts de status quo. Dat verklaart zijn populariteit.

Het diepere probleem is dat een bewoner van Berlusconi's Italië in feite pas werkelijk vrij kan zijn als hij toetreedt tot de club, meedoet met vader, dat wil zeggen met Berlusconi. Een veelzegend detail daarbij is dat Ginsborgs kritische boek is verschenen bij een uitgeverij die eigendom is van Berlusconi. Maar, signaleert de historicus, het is niet belangrijk wie een boek publiceert of wie op tv komt, het gaat erom wie bepaalt of toestaat dat een ander dat kan doen. Tegenover de tegenstem in de woestijn staat op de door Berlusconi nu vrijwel geheel beheerste tv zo'n bombardement van domhouderij, zo'n allesomvattende illusie van stoer en rijk zijn, zo'n overvloed van reclame die suggereert dat kopen, en dus meedoen, de burger tot held maakt, dat veel Italianen erdoor worden meegesleept.

Berlusconi kan het zich dus best permitteren om Ginsborg te laten tegensputteren. Zijn greep op de media stelt hem in staat de burgers, moe van ruziënd links en hunkerend naar Europees aanzien, te verleiden, een term die hij zelf graag gebruikt. Hij deed het als zanger op cruise-schepen in zijn jeugd, en hij doet het nog steeds. Zo is `democratie' bij Berlusconi gereduceerd tot louter het houden van vrije verkiezingen. Die kan hij immers toch wel winnen, dankzij zijn moderne versie van panem et circenses (brood en spelen), een associatie met het keizerlijke Rome die hij ook zelf graag maakt.

In tegenstelling tot de gesloten, arrogante en corrupte politieke klasse, presenteert Berlusconi zich via een postmodern populisme als een open en zichtbaar man – inderdaad, een beetje als Pim Fortuyn in Nederland. Hij sluit een pact met de Italianen over de hoofden van de traditionele politieke aristocratie heen. De ironie is dat Berlusconi begin jaren negentig juist in de politiek is gegaan om zich te beschermen tegen de Operatie Schone Handen, bedoeld om corruptie uit te bannen. Om zich tegen de wet te beschermen, heeft hij nu de democratie in gijzeling genomen. Het publieke profiel dat hij voor dit media-populisme nodig heeft, bestaat uit een traditionele minestrone, waarin tegenstrijdige historische gemeenplaatsen over Italië, Noord én Zuid, ronddrijven: het harde werken uit het noorden én de mediterrane, pittoreske zon van het zuiden; de noordelijke burgerlijkheid én het zuidelijke sjoemelen.

Het onderschatten van Berlusconi is om twee redenen dom. In de eerste plaats omdat het verschijnsel dat hij belichaamt een reële bedreiging vormt voor de liberale democratie, met onafhankelijke rechtspraak en gelijkheid voor de wet, zorg voor medeburgers ook als ze niet tot de clièntele behoren, een open samenleving met pluriforme en onafhankelijke informatieverstrekking. Maar die onderschatting is ook op een andere manier een belediging voor Italië: het bevestigt het vooroordeel tegen de achterlijke Italiaan waar het verstandige Europa zijn schouders over kan ophalen. Maar ook in noordelijker landen kunnen puissant rijke mediamagnaten met politieke ambities het voorbeeld van de cavaliere volgen. Zeker als hun macht te veel wordt beperkt door de rechtsstaat.

Nelson Moe: The View from Vesuvius. Italian culture and the Southern Question. University of California Press, 349 blz. €60,–

Tobias Jones: The Dark Heart of Italy. Travels through Time and Space Across Italy. Faber and Faber, 266 blz. €28,15

Paul Ginsborg: Berlusconi. Ambizioni patrimoniali in una democrazia mediatica. Einaudi, 91 blz, €9,–