Gemotiveerde allochtone student vaak rolmodel

Allochtone havo- en vwo-scholieren stromen veel vaker door naar het hoger onderwijs. Hoe kan dat? Onderzoeker Rick Wolf en de winnaars van de ECHO Award, de prijs voor veelbelovende allochtone studenten, over de druk van de gemeenschap en de functie van een rolmodel.

Het is een relatief kleine, maar gemotiveerde groep, de niet-westerse allochtone studenten in het hoger onderwijs. Volgens cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week publiceerde, studeren Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse havo- en vwo-scholieren veel vaker door in het hoger onderwijs dan hun Nederlandse klasgenoten.

Met name in het vwo is dit verschil groot. Circa 67 procent van de Nederlandse vwo-ers gaat na het diploma naar de universiteit, bij allochtonen ligt dat precentage op 79. Van de Nederlandse havo-scholieren gaat 76 procent naar het hoger beroepsonderwijs, tegen 83 procent bij allochtone leerlingen. Opvallende uitschieters zijn de Marokkaanse (88 procent) en de Turkse scholieren (87 procent). Dit verschil is vooral ook opvallend, omdat de schoolresultaten van allochtone scholieren minder goed zijn dan die van autochtonen.

Ondanks de hoge doorstroom blijft het totaal aantal allochtone studenten op universiteiten en hogescholen nog altijd achter. Wel ziet de Informatie Beheer Groep (IBG), dat de inschrijvingen van studenten registreert, een toename van het aantal Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen in het hoger onderwijs.

In studiejaar 1997/1998 maakten zij nog 5,1 procent uit van het totaal aantal studenten, in studiejaar 2001/2002 was dat gestegen naar 6,4 procent. In totaal studeerden er in dat studiejaar 14.281 allochtonen op universiteiten en hogescholen.

Een belangrijke oorzaak van de nog altijd tegenvallende instroom is dat er nog altijd maar weinig allochtone scholieren naar het havo en vwo gaan, zegt onderzoeker Rick Wolf van het Instituut voor migratie en etnische studies (Imes). ,,Het aantal neemt wel toe, maar blijft nog altijd duidelijk ondergemiddeld.'' Slechts een kwart van de allochtone scholieren komt in het havo en vwo terecht, tegen circa 40 procent van de autochtonen. Ruim driekwart van de allochtone scholieren komt in het vmbo terecht, bij Nederlanders is dat 60 procent.

Hoe kan dat? Wolf, die in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam onderzoek deed naar allochtonen in het hoger onderwijs, denkt dat de rol van de ouders groot is.

,,Veel ouders zijn vrij onbekend met het Nederlandse onderwijssysteem. Met name ouders die zelf naar Nederland zijn geëmigreerd, weten vaak niet wat erbij komt kijken als je kind naar een hogeschool of universiteit gaat.''

Toch is juist onder veel allochtone bevolkingsgroepen de druk groot om wél iets te maken van de schoolcarrière. ,,Dat is de verklaring van het feit dat die groep op het havo en vwo relatief vaak doorgaat naar het hoger onderwijs. Het komt vaak voor dat ouders willen dat hun kind echt goed presteert. En de kinderen zelf hebben het gevoel dat ze bij een selecte groep horen, die zich nog echt moet bewijzen. Ook in de eigen gemeenschap worden hun prestaties op de voet gevolgd. Dat heeft ook invloed.''

Omdat steeds meer ouders zelf ook in Nederland geboren zijn, verdwijnt die onbekendheid langzaam, zegt Wolf. ,,Een andere reden voor de langzame opmars van de allochtone student is de betere begeleiding die universiteiten en hogescholen de laatste jaren zijn gaan geven. Vaak geven zij extra colleges aan studenten met een taalachterstand en krijgen docenten en hoogleraren instructies dat zij allochtone studenten meer moeten begeleiden.''

De hogescholen van Den Haag en Groningen en de Universiteit van Amsterdam voeren volgens het Imes zo'n allochtonenbeleid. De Erasmus Universiteit Rotterdam doet dat niet, maar stimuleert weer het stichten van allochtone studentenverenigingen, zodat allochtone studenten meer steun van elkaar krijgen.