Een naam als twee pistoolschoten

Kom ik weer eens een oude vriend tegen, een jongen die ik nog uit de hongerwinter of van school ken, en ik zeg, nadat we naar elkaars gezondheid hebben geïnformeerd: ,,Na zo'n nekslag zeggen ze gewoonlijk niet veel meer'', dan verbaas ik me niet als hij antwoordt: ,,Bos, ik heb je onderschat.'' We weten weer wat we aan elkaar hebben, we zijn lezers, kenners van Dick Bos, we zijn weer de jongens van vroeger.

Dick Bos, de schepping van Alfred Mazure, is niet zomaar een stripheld. Hij is een protagonist van zijn tijd. Wie in 1940 tussen ongeveer de tien en de twintig was, heeft niet aan Dick Bos kunnen ontkomen. Bij deze jongens en meisjes aan weerszijden van een generatiegrens leeft hij voort. Hij zal pas vergeten zijn als omstreeks 2030 de laatste honderdjarige niet meer over zijn jeugd kan vertellen. Daarom is iedere bijdrage tot de nog groeiende Bos-literatuur welkom. Dat geldt zeker voor deze, De wereld van Dick Bos. De stripheld die jiu-jitsu populair maakte, van Rich Thomassen. Een rijkdom aan inlichtingen over de held en zijn schepper Alfred Mazure, in dit boek terecht `een weergaloze tekenaar en schrijver' genoemd.

Nu schrijf ik over een jaar of zestig geleden. Denk niet dat er in die tijd geen striphelden bestonden. Sjors van de Rebellenclub, Popeye the Sailorman, Bruintje Beer, de Jongens van Stavast uit het vrolijke weekblad Doe Mee (en maak je vriendje abonnee), en natuurlijk de toen al door velen geminachte Mickey Mouse. En Bulletje en Boonestaak, maar dat is een ander geval. In 1941 verscheen Het geval 'Kleyn'. Ik kan het me goed herinneren. Hitlers legers waren de Sovjet-Unie binnengevallen, Pearl Harbour moest nog komen, 'snachts dreunden de vliegtuigen op weg naar Duitsland, wij kinderen waren bij dit alles zeer betrokken, maar – gespleten als het leven in de oorlog is – we zagen meteen dat hij de held was waarop we onbewust hadden gewacht.

Hoe valt het te verklaren? Om te beginnen is hij in de literatuur een van de weinigen die het tot een volmaakte eenheid hebben gebracht. Ik bedoel de eenheid van naam, gestalte, gezicht, karakter, denken, spreken en handelen, en daarvan de resultaten. Misschien wordt hij geëvenaard door Dick Tracy, de held in de strips van Chester Gould. Maar die heeft Europa pas na de oorlog bereikt.

Om te beginnen de naam. Als twee pistoolschoten, en met een goed woordbeeld. Dik Bosch is een andere man dan Dick Bos. Dan het signalement. Markant is heel zwak uitgedrukt. De onsterfelijke Bos moet ongeveer twee meter zijn, en met zijn spieren en beendergestel en vooral zijn kaken een kilo of honderd wegen. Geen grote woordenschat, maar in alle gebruik – dreigend, ironisch, gewone conversatie, en ook in het buitenland (China, Texas, Afrika) – doeltreffend. Handelen: daar is maar één woord voor: bliksemsnel. Resultaten: navenant. Dit bij elkaar hadden wij in onze striphelden in die tijd nog niet aangetroffen.

Waren zijn avonturen `spannend'? Moeilijk te zeggen. Bij de verschijning van ieder volgend avontuur wilde je natuurlijk weten hoe het afliep. Maar daarmee was het niet afgelopen. Veel jongens bleven zo'n boekje raadplegen, niet om opnieuw het antwoord op een moeilijke vraag te krijgen, maar bij wijze van een tevreden stemmende bevestiging in woord en beeld. Het kon om een tekst gaan, een tekening, een door zwart-wit werking opgeroepen sfeer, of interessante requisieten, als de trommelmachinegeweren in Chicago waarmee hij het vuur van de gangsters beantwoordde, of de met vaart getekende raceauto's in Misdaad in de bocht, of wat dan ook, maar bij de aanblik van dit geheel wist je weer wat je al wist, en dat op zichzelf was dan voldoende voor de overtuiging: dit is in orde.

Verder – het valt allemaal niet meer te bewijzen – zou Dick Bos zijn relatieve onsterfelijkheid niet hebben verworven als Mazure geen meester was geweest het verzinnen van zeer korte dialogen, waarin het aandeel van de held even efficiënt was als zijn jiu-jitsugrepen. Het beste proza bestaat uit oneliners. Die waren schaars in het Nederlands van zijn tijdvak. Vandaar misschien dat ze zo goed bleven hangen. Er waren teksten die iedere jongen moest kennen. Het `Au mijn poot!' toen Dick Bos een veedief in Texas met een schot door de hand buiten gevecht had gesteld. Of: `Ik heb niet voor niets een jaar in Marokko gewoond', nadat hij zich als messenwerper had bewezen. Of het ook door Thomassen geciteerde `Kip ik heb je', nadat hij de verdachte in de dubbele nelson had genomen.

Tenslotte denk ik dat de boekjes voor hun inhoud een volmaakt passend formaat hadden: iets kleiner dan een kwart van een A-viertje, ter dikte van nog geen centimeter. Deze compactheid was het sluitstuk tot de magie: het gevoel dat je een volledig avontuur in één hand, in je bezit had. Dit geheel was op alle plaatsen te raadplegen, in bed, onder de bank, in de tram. En tenslotte was het goedkoop, een kwartje, en onmiddellijk verhandelbaar. Samengevat: weinig was er dat je dusdanig het gevoel gaf een verschijningsvorm van alles in bezit te hebben. Een Dick Bos-boekje had het.

Bij het lezen van het boek van Thomassen heb ik meer dan eens gedacht aan de beproefde constatering die een bespreker zich vroeger, ook in de tijd van Dick Bos, zich kon veroorloven: dit boek voorziet in een behoefte. Telkens weer werd ik op de hoogte gebracht van bijzonderheden, achtergronden waarvan ik geen idee had gehad. Vooral over het leven en werken van de schrijver, zijn prestaties op filmgebied, uitgaven in het buitenland, zijn vertrek naar Engeland, en wat de aficionado van Dick Bos al kon vermoeden maar zich misschien nog niet zo duideliijk had gerealiseerd: zijn enorme energie. In 1974 is hij, 59 jaar oud, in Engeland aan de gevolgen van een hartaanval gestorven, teleurgesteld en verbitterd. Thomassen citeert uit een brief die Mazure in 1968 aan zijn vriend Piet van der Ham schreef: ,,Ik heb altijd wel vermoed dat wij genieën waren dertig jaar geleden, maar niet `pop-artists'. We zijn inderdaad te vroeg geboren. Als we nu in de twintig waren, zouden we hele industrieën achter ons krijgen in plaats van de oplichting die wij meemaakten.''

Nee, zakelijk heeft het de schrijver-tekenaar niet meegezeten. Maar er staat iets tegenover. Hij heeft zich bij meer dan één generatie onsterfelijkheid verworven. Hoe vreemd dat voor de buitenstaander ook mag klinken: zonder Dick Bos was het een andere jeugd, een andere oorlog geweest. Gelukkig bevat het boek van Thomassen een goed portret van Alfred Mazure. Voor het eerst dat ik hem zag, eindelijk. Ik heb het bestudeerd, en gedacht: MAZ, zo, dat is hem dus.

Rich Thomassen: De wereld van Dick Bos. Elmar, 192 blz. €15,95