Bij politie ligt discriminatie op de loer

Politie en justitie moeten zich herbezinnen op de rol die etniciteit speelt in de beoordeling en behandeling van delicten, menen Mohammed Benzakour en Mieke Komen.

Van agenten kan moeilijk verwacht worden dat zij honderd procent neutraal staan tegenover de achtergrond van verdachten. Daar is weinig bezwaar tegen, mits er impliciete standaarden en normen gelden die de interactie tussen politie en specifieke groepen niet benadelen. Het tegendeel lijkt echter het geval.

Verschillende onderzoeken, waaronder die van de criminoloog Ben Rovers, hebben aangetoond dat kinderen van ouders met een lage sociaal-economische status, en Antilliaanse en Marokkaanse kinderen, onafhankelijk van de ernst en de aard van hun delictgedrag, een aanzienlijk grotere kans hebben om met de politie in aanraking te komen. Formeel speelt etniciteit van verdachten géén rol in de bejegening door de politie. In theorie geldt voor alle verdachten met vergelijkbaar ernstig delictgedrag eenzelfde afdoening én eenzelfde procedure.

Twee recente gebeurtenissen wijzen op het tegendeel. Naar aanleiding van de recente Tilburgse moord waarbij twee Antillianen, een Surinamer en een West-Afrikaan zijn opgepakt, wil de gemeente Tilburg in samenwerking met de politie een ,,keiharde aanpak van de criminele Antilliaanse jongeren''. Burgemeester Stekelenburg verwoordde het zo: ,,Deze rotzakken dreigen de samenleving te ontwrichten, en dat betekent hard optreden zonder scrupules.'' Extra mankracht en preventief fouilleren zijn enkele voorgestelde maatregelen.

Voormalig korpschef van de politie Haaglanden Jan Wiarda, die nu een hoge Europese politiefunctie bekleedt, hield in de Haagsche Courant van 28 juni een pleidooi voor een nieuwe omgang met jeugdige verdachten. Hij is van mening dat politie en justitie sommige allochtone wetsovertreders, met name Marokkaanse jongens, strenger moeten kunnen straffen dan autochtonen, omdat door hen ,,anders wordt aangekeken tegen westerse normen''.

In de ,,eigen kring van allochtonen'' hoorde Wiarda ook dit soort geluiden: `zij' zouden zelf ook willen dat hun kroost harder wordt aangepakt.

Wiarda onderbouwt zijn stelling slim door een beroep te doen op `de' rechtsopvattingen van allochtonen én op een thans populaire uitleg van het gelijkheidsbeginsel: mensen behoren in gelijke gevallen gelijk te worden behandeld – ongeacht hun sekse, geloof, etniciteit of culturele achtergrond – tenzij ongelijke behandeling de uitkomst van de rechtspleging relatief gelijk laat zijn.

Stekelenburg geeft, op zijn manier, in zijn aanpak te kennen dat hij onvoldoende doordrongen is van de werkelijkheid: er is geen sprake een harde kern `Antilliaanse rotzakken'.

Het criminele kroost van de Curaçaose volksklasse groeit op in ontwrichte éénoudergezinnen, zonder ouders of met een tienermeisje als moeder, in een situatie van armoede, verpaupering en isolement, zonder consistente opvoeding, met gebreken in de sociale controle op hun gedrag en zonder perspectieven op sociale stijging via onderwijs en arbeidsmarkt. De welzijnssector en justitiële jeugdzorg hebben onvoldoende oog voor hun slechte sociale en economische omstandigheden. Zij hebben zich ontwikkeld vanuit een monoculturele Nederlandse optiek die vandaag de dag minder goed bruikbaar lijkt. Deze instanties rekenen te veel op de eigen verantwoordelijkheid van ouders en de zelfregulerende vermogens van in de steek gelaten jongeren in hopeloze situaties. De weg naar ernstige criminaliteit is dan niet lang meer.

Vanzelfsprekend is het goed dat Wiarda en Stekelenburg met de aanpak die zij voorstaan, naar buiten treden. Zij vertegenwoordigen een mening die in Nederland niet uitzonderlijk is. Hun visie laat wel zien hoe de verhouding tussen Nederlandse politiemensen en allochtone jongens er tegenwoordig uitziet.

De voorstellen lijken ingegeven door vooroordelen en een overmatig vertrouwen in de capaciteiten van de Nederlandse politie en justitie. In hun opvattingen van cultuur en hun aanpak van criminaliteit schurken Wiarda en Stekelenzij dicht tegen stereotypen aan die negatief uitpakken voor álle allochtone verdachten, met als gevolg dat in de praktijk de etniciteit van jeugdige verdachten in strafverzwarende zin van invloed is op de uitkomst van het strafproces.

Het kan daarom niet vaak genoeg worden herhaald: dé Marokkaanse cultuur bestaat evenmin als de Antilliaanse cultuur. Iemands culturele oriëntatie is constant aan verandering onderhevig en afhankelijk van veranderingen in de levensomstandigheden.

Traditionele vormen van familiesolidariteit bijvoorbeeld kunnen gemakkelijk afbrokkelen na migratie naar Nederland. Marokkanen in Nederland zijn Nederlanders in Marokko, berichtte deze krant op 29 juli. Dat neemt niet weg dat `cultuur' geenszins beschouwd kan worden als een jas die je even aan en uit kunt trekken.

Het is een feit dat etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn als het gaat om geregistreerde criminaliteit, én dat de overgrote meerderheid van de Marokkanen en Antillianen níet met politie en justitie in aanraking komt. Hun hoge aandeel in de criminaliteitscijfers is het gevolg van zowel sociale desorganisatie als van het feit dat politie- en justitiemensen bepaalde allochtone jeugdige verdachten strenger behandelen dan autochtoon-Nederlandse jeugdige verdachten.

Dat discriminatie of `selectiviteit' een rol speelt in de registratie van criminaliteit, is uiterst aannemelijk. Het lijkt ons daarom billijk indien politie en justitie zich herbezinnen op de rol die etniciteit speelt in hun vak, en op de verschillende manieren waarop vergelijkbaar delictgedrag kan worden uitgelegd en beoordeeld. Discriminatie bevorderen is gemakkelijker dan haar bestrijden.

Gespierde uitspraken van deze of gene zijn daar zorgelijke uitingen van. Vooral wanneer deze of gene oud-korpschefs, Europese officials en burgervaders zijn.

Mohammed Benzakour is schrijver en publicist. Mieke Komen is lector jeugd en opvoeding aan de Haagse Hogeschool, en verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht.