Sterk, geestig en arrogant actrice

De legendarische actrice Katharine Hepburn is gisteren op 96-jarige leeftijd overleden. Voor haar filmrollen won ze vier Oscars, een record in Hollywood.

Die jukbeenderen. Die rechte ogen. Die huid die als een zacht harnas om haar botten zat. Die sproeten, die je zelfs in zwart-wit kon zien. Die elegantie als ze een mooie jurk aan had, alleen getemperd door de ondeugende gedachte dat ze ook als man mooi geweest zou zijn; dat ze sterk was, grappig, arrogant, ijdel, gezond en toch een schoonheid die bij zichzelf niet bleef stilstaan. Je hoeft haar niet te bewonderen. Vrolijk worden mag ook. Zelfs nu ze dood is, roept ze als eerste reactie een glimlach op. Spa met zoveel prik dat het water spuit als je de dop eraf draait. Champagne. Volgens biograaf David Thomson leken naast haar bijna alle andere sterren op varkens.

De Amerikaanse actrice Katharine Hepburn is zondag in haar woonplaats Old Saybrook, Connecticut overleden. Ze was 96 jaar. Tot Meryl Streep haar dit jaar versloeg, was ze de acteur met de meeste Oscarnominaties. Maar nog steeds is ze de acteur met de meeste Oscars. Ze won er vier, de eerste voor Morning Glory (1933), haar vierde film, toen ze Bringing Up Baby, The Philadelphia Story en Adam's Rib nog moest maken. Haar tweede en derde Academy Award kreeg ze toen haar prikkelendste werk al achter haar lag. In de jaren zestig won ze twee keer op rij, voor Guess Who's Coming to Dinner (1967) en The Lion in Winter (1968). In 1982 won ze haar laatste beeldje voor On Golden Pond. Hepburn was toen al lang een legende. Niet haar spel, maar zij werd bekroond. Haar films, haar leven, haar schoonheid, haar opstandigheid, haar afkomst, haar relatie met Spencer Tracy. Een teken van haar onafhankelijkheid is dat ze de uitreiking van de prijs nooit bijwoonde. Stel je voor dat ze verloor. Een nog vroeger voorbeeld van haar geestige arrogantie: ze dwong haar eerste en enige echtgenoot, met wie ze van 1928 tot 1934 getrouwd was, zijn naam van Ludlow Ogden Smith te veranderen in S. Ogden Ludlow, omdat ze niet door het leven wilde gaan als Kate Smith.

Katharine Houghton Hepburn werd op 12 mei 1907 geboren in een rijke, bekende, progressieve familie uit Nieuw Engeland. Dat ze van een bastaard van een Engelse koning afstamt verbaast niet. Haar vrijgevochtenheid is van de soort die alleen voorkomt bij mensen die weten hoe het hoort. Het is niet moeilijk in plaats van haar een volbloed veulen voor je te zien. Ze dartelt.

Hepburns vader was chirurg, haar moeder suffragette. Haar opvoeding week zo af van het gewone dat ze later kon zeggen: ,,I never realized until lately that women were supposed to be inferior.'' Een tijdje ging ze als jongetje door het leven. Haar ouders wilden haar best Jimmy noemen. Haar carrière bedisselde ze zelf. Ze hoefde niet, ze wilde. Hepburn hield al vroeg van film, maar ging eerst aan het toneel. Toen ze op Broadway succes had in The Warrior's Husband, bood RKO haar een contract aan. Hepburn vroeg daar volgens eigen zeggen een belachelijk hoog bedrag voor, maar de studio ging akkoord. Zo arriveerde ze al in Hollywood op haar eigen voorwaarden. [Vervolg HEPBURN: pagina 9]

HEPBURN

Onafhankelijke rollen

[Vervolg van pagina 1] Hepburn staat er nu om bekend dat ze zoveel onafhankelijke vrouwen heeft gespeeld. Dat beeld klopt, maar vaak waren het wel vrouwen wier onafhankelijkheid er op een bepaalde manier niet toe deed. Met werk of macht had het niets te maken, wel met wie het laatste woord kon hebben aan tafel of in bed. Het was een soort vrijzwevende onafhankelijkheid. Het is nu bijna niet meer voor te stellen, maar haar gedrag en wat daar over bekend was, beïnvloedde haar positie zo, dat ze eind jaren dertig bekend stond als `box office poison'. Het feit dat Hepburn pantalons droeg, zonder make-up rond liep en niet van plan was moeder te worden, deed haar imago bij velen geen goed. Zelfs een film als Bringing Up Baby, nu een klassieke screwball comedy, faalde aan de kassa. Ze werd gepasseerd voor de rol van Scarlett O'Hara in Gone With the Wind omdat ze niet genoeg seks uitstraalde. Hepburn had pas weer een hit met The Philadelphia Story (1940), een speciaal voor haar geschreven toneelstuk, waarin ze weer een onafhankelijke vrouw speelt, maar wel een die terugvalt in het gareel. In 1942 ontmoette ze Spencer Tracy, met wie ze in negen films zou spelen, van Woman of the Year tot Guess Who's Coming to Dinner (1967). Ook in werkelijkheid werd hij haar partner, al scheidde de katholieke Tracy nooit van zijn vrouw. Nast hem werd haar rebellie iets om goedmoedig aan toe te geven. Ouderdom bleek daarna het middel om haar te temmen; van gevaarlijk werd ze excentriek. Daarom is het goed dat haar eerdere werk steeds meer door haar rollen heen ging schemeren, tot aan haar laatste film, Love Affair (1994) toe. Het feit dat ze drie Oscars kreeg toen ze de zestig al gepasseerd was, is alleen met terugwerkende kracht te begrijpen. Maar dan is het o zo terecht. Nu zal Hepburn alleen nog door andere actrices gespeeld kunnen worden. In Scorseses biografie van Howard Hughes zal Cate Blanchett haar portretteren. Hepburn werkte op het laatst van haar leven aan een scenario over zichzelf, dat net als haar biografie (1991) `Me' zou kunnen heten. Suggesties voor de hoofdrol heeft ze niet achtergelaten.