Nederlands adviseur in algemene dienst

De antirevolutionaire oud-minister van Justitie (en Defensie) Job de Ruiter heeft een boek geschreven over het leven van zijn, eveneens antirevolutionaire, voorganger Jan Donner (1891-1981). Het is vooral een boek ván een jurist óver een jurist. Het is gedegen, gedocumenteerd en helder ingedeeld. De nadruk valt op de feiten, zonder veel gepsychologiseer. De mild geformuleerde oordelen zijn grondig beargumenteerd. Maar ondanks de betrachte voorzichtigheid en afstand, is het een meeslepend portret geworden van een bestuurder pur sang.

Jan Donner, grootvader van de huidige minister van Justitie Piet-Hein Donner, was 35 jaar toen hij minister werd. Het eerste kabinet-Colijn was in 1925 na drie maanden gevallen door aanneming van de motie-Kersten (SGP), die het geld wilde schrappen voor het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan. Na enkele mislukte formatiepogingen belastte koningin Wilhelmina in 1926 de christelijk-historische voorman De Geer met de vorming van een extraparlementair kabinet, waarin Donner, ondanks bedenkingen van de antirevolutionaire leider Colijn, op Justitie kwam.

Voor een extraparlementair kabinet lag de benoeming van Donner in de rede. Als ambtenaar had hij op het ministerie van Justitie zijn sporen al ruimschoots verdiend. Na een studie rechten in Utrecht en Leiden begon hij als ambtenaar bij de gemeente Deventer, werd hoofdcommies in Rotterdam, om vervolgens directeur te worden van het centraal Bureau voor Ambtenarenzaken in Den Haag, dat onder het ministerie van Justitie viel en dat alles binnen een tijdsbestek van zes jaar. De toenmalige minister van Justitie, de antirevolutionair Th. Heemskerk, vroeg zijn ambtenaar en partijgenoot regelmatig om advies. De adviezen die Donner gaf waren steeds praktisch en pragmatisch. Van scherpslijperij moest hij niets hebben.

Toen hij op 35-jarige leeftijd toetrad tot het eerste kabinet-De Geer, kreeg Donner de koosnaam `Kind van Staat'. Zijn deskundigheid, zijn ijver en zijn vermogen om zaken snel en helder te analyseren bezorgden hem al spoedig een goede naam in het parlement.

Ondanks zeven jaar ministerschap ontwikkelde Donner zich niet tot een `politiek dier'. Hij bleef een echte vakminister, die op het geheel van het regeringsbeleid betrekkelijk weinig invloed had. Het was dan ook geen verrassing dat Donner binnen drie maanden na zijn aftreden in 1933 werd benoemd tot lid van de Hoge Raad, waarin hij opnieuw de jongste was. Hij was er volledig op zijn plaats. Omdat hij een snelle werker was, kon hij er zijn tijd niet vullen en grossierde hij al gauw in nevenfuncties.

Donners lidmaatschap van de Hoge Raad duurde tijdens de bezetting lang voort. Achteraf bezien te lang. De meer dan honderd pagina's waarin deze periode wordt behandeld, zijn de boeiendste uit het boek. Bij alle bewondering die De Ruiter voor zijn voorganger aan de dag legt, betoont hij zich over Donners opstelling in dezen zeer kritisch. Pas in februari 1944, lang nadat het verzet uitspraken van de raad al had gekwalificeerd als aanvallen in de rug, trok Donner zich uit het hoogste rechtscollege terug `na lang aarzelen, op een laat tijdstip, op aandringen van familie en verzetsmensen en op weinig principiële, door hem ``gezochte'' gronden', zoals De Ruiter het formuleert. Even verder concludeert hij ingehouden: `Een tamelijk genuanceerd beeld dus, dat op het eerste gezicht niet in verhouding staat tot de bijna mythische roem die hij als ``het juridisch geweten der natie'' heeft verworven.'

Hoe kon het dat Donner in 1945 toch ontsnapte aan de smet van het `bezettingsblazoen' van de Hoge Raad? De Ruiter geeft hiervoor een aantal verklarende factoren. Zo speelde Donner een belangrijke rol in het kerkelijk verzet tegen de Duitsers. Een tweede factor is dat Donner tweemaal door de Duitsers werd gearresteerd en bovendien geruime tijd vastzat als gijzelaar. Vanaf begin juli 1941 maakte Donner deel uit van de groep antirevolutionairen die als gijzelaars werden vastgehouden door de Duitsers. Hij zat achtereenvolgens in Schoorl, Buchenwald en ten slotte in Haaren en Sint-Michielsgestel, waar hij kennismaakte met mensen als Schermerhorn, Drees en Lieftinck, die in de periode van wederopbouw een belangrijke rol zouden spelen.Was Donner voor de oorlog een afwezige vader, in zijn gijzelingstijd was hij door een intensieve briefwisseling goed op de hoogte van het reilen en zeilen van zijn gezin. In die brieven getuigde hij zo sterk van zijn geloof, dat zijn kinderen er wel eens een wee gevoel van kregen. Eenmaal terug uit het gijzelaarskamp hervatte Donner weer gewoon zijn werkzaamheden bij de Hoge Raad.

Dat Donner de dubieuze houding van de Hoge Raad tegenover de maatregelen van de Duitse bezetter nooit is aangerekend, had ten slotte ook te maken met het feit dat de Londense premier en partijgenoot Gerbrandy een grote bewondering voor Donner koesterde. Dat heeft Donner na de oorlog naar eigen zeggen behoorlijk uitgebuit. Daardoor kon hij na de oorlog een hoofdrol spelen in het debat over de vraag hoe het verder moest met de Hoge Raad. Hij concipieerde een groot deel van de briefwisseling tussen de Hoge Raad en de regering, waarin de balans van de rol van de raad in de Tweede Wereldoorlog werd opgemaakt. Op basis van deze briefwisseling, waarin de Hoge Raad uiteenzette waarom hij onder de bezetting zolang had doorgewerkt en waarin het kabinet aangaf dat een krachtiger houding van de raad een steun zou zijn geweest voor de bevolking, hoopte men de kwestie te kunnen afdoen. Typerend voor de positie van Donner is dat hij aan beide kanten `een werkzaam aandeel' had in het formuleren van de brieven.

Men heeft nog het voornemen gehad individuele leden van de raad aan een nader onderzoek te onderwerpen. Op de lijst van de te onderzoeken personen kwam Donner echter niet voor. Was dat wel het geval geweest, dan was zo'n onderzoek voor Donner niet zonder risico geweest, oordeelt De Ruiter. Uiteindelijk ging op Donners aandrang die personele screening niet door.

In 1946 werd hij tot president van de Hoge Raad benoemd, een functie die hij tot 1961 zou bekleden en waarin hij zich groot gezag wist te verwerven. Hij had als een ware strateeg iedereen, de regering incluis, `over-Donnerd', concludeert De Ruiter.

Politieke posities heeft Donner naderhand stelselmatig afgewezen. Wel bekleedde hij, ook na zijn pensionering, tal van andere functies, waarvan het president-curatorschap van de Vrije Universiteit terecht uitgebreide aandacht krijgt. Tot op hoge leeftijd bleef hij de ideale bemiddelaar in conflicten en oplosser van geschillen, een soort adviseur in algemene dienst. Hij bleef een meester in het vinden van formuleringen waarin iedereen zich kon vinden. Zelf vond hij zich daarvoor trouwens ook de aangewezen man. Toen de regering in 1976 een commissie instelde om onderzoek te doen naar de rol van prins Bernhard in de Lockheed-zaak en daarbij de naam Donner genoemd werd, zou vader Donner zeer onaangenaam verrast geweest zijn toen het om zijn zoon, de staatsrechtsgeleerde prof.mr. André Donner, bleek te gaan. `Die snotneus', zou hij verontwaardigd gemompeld hebben. Het is terecht dat De Ruiter deze anekdote niet kapotgecheckt heeft.

Job de Ruiter: Jan Donner, jurist. Een biografie. Boom, 344 blz. €24,50