Schubert als tragikomisch stripverhaal

Voor de conventioneel ingestelde liefhebber van het Schubert-lied is de absurdistische, geënsceneerde voorstelling van Die schöne Müllerin door regisseur Christoph Marthaler geen lichte kost. Toch is Marthaler ook zelf Schubert-liefhebber. En wie het verwachtingspatroon van zanger-in-de-kromming-van-de-vleugel loslaat, ziet die liefde soms ook weerspiegeld in het betekenisvolle, trage ritme van de tragikomische voorstelling.

Tekstdichter Müller vertelt in Die schöne Müllerin van een molenaarsleerling, wiens onbeantwoorde liefde voor de nuchtere molenaarsdochter (,,Adé, ich geh' nach Haus!'') uitmondt in zelfverdrinking. In Marthalers visie is Die schöne Müllerin de vleeswording van het adagium dat eenzame mensen bijzondere mensen zijn. In het fraaie chalet-interieur van vormgeefster Anna Viebrock doen twee bronstige molenaarsdochters, één tuttige pianolerares (sopraan Rosemary Hardy) en negen sociaal gemankeerde heren (onder wie tenor Christoph Homberger) wanhopige en vergeefse pogingen nader tot elkaar te komen. Acteurs storten in verkrampte foetushoudingen met doffe klappen van piano's en tafels of verstoppen zich onder het tapijt, terwijl molenaarsdochters ronddansen met fallische jachtgeweren. Als de personages zich echt geen raad weten met hun gevoelens, wordt met schrille stem (onmacht!) een Schubert-lied gezongen. Wie daar twee uur lang een gulle lach voor opbrengt, heeft aan Die schöne Müllerin een moordavond.

Anders dan zijn acteurs, komt Marthalers voorkeur voor de theatrale Langsamkeit van dergelijke machteloze personages niet uit de lucht vallen. Zijn Müllerin wortelt met hart en ziel in de frustraties van de na-oorlogse, Duitstalige wereld, die het onmogelijk maakt de biedermeier-oubolligheid van de tekst en de romantische aard van de cyclus serieus te nemen. In hun eenzaamheid zijn Marthalers personages weliswaar over de eeuwen heen zielsverwanten van Schubert en diens tragische molenaarsleerling. Maar een huwelijk tussen zielsverwanten is lang niet altijd gelukkig. En wie Marthalers beladen engagement met onbeladen oog waarneemt, ziet vooral ietwat ouderwets aandoend modernisme. De stripverhaalachtige collage van zang en bewegingstheater is soms grappig en soms ontroerend liefdevol van opzet, waar twee liederen in twee tempi door elkaar heen worden gezongen, en gelijk finishen – één in mineur en één in majeur. Maar te vaak is deze Müllerin ook enigszins voorspelbaar, met de parade van blote, ongelukkig deinende mannenbillen als dieptepunt.

Bij eerdere voorstellingen van Die schöne Müllerin in Duitsland en Zwitserland verlieten talrijke toeschouwers voortijdig de zaal. Gisteravond, in de Amsterdamse Docklands, gebeurde dat een keer of vijf. Tenor Christoph Homberger wees de boze barbaren verwijtend na met een brandende sigaret. En juist dat spontane, hilarische gebaar was in Marthalers springtij van op tranen golvende grollen, eigenlijk een verademing.

Die schöne Müllerin van F. Schubert. Schauspielhaus Zürich. Regie C. Marthaler. Gezien: 19/6 Docklands, Amsterdam. Herh.: 20 en 21/6, aldaar.