Parlementaire accountants

Wat staat al die Tweede-Kamerleden, waarvan meer dan de helft nog maar net komt kijken, de komende jaren te doen? Niet veel, als de Leidse hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg gelijk krijgt. Deze week herinnerde hij tijdens een discussiebijeenkomst nog eens aan de woorden van de legendarische katholieke politicus Romme. Die zei in de jaren vijftig al dat de parlementariër die invloed wil kunnen uitoefenen tijdens de kabinetsformatie, zaken zal moeten doen. ,,Invloed wordt niet uitgeoefend tijdens de parlementaire rit'', aldus Romme. ,,Hij wordt uitgeoefend voor de rit aanvangt. Laat men deze invloed voorbijgaan, laat men de mogelijkheid van deze invloed, voordat de rit aanvangt, ongebruikt liggen, dan is dit, ik zou willen zeggen `verzuim', later niet in te halen.''

Volgens Van den Berg geldt deze stelregel nog altijd. Dus rest de Kamerleden van de regeringsfracties slechts `opletten en erbij blijven' om maar eens een zin uit de reclame te gebruiken, en kan de oppositie vruchteloos pleiten voor een ander beleid. Alle mooie voornemens over dualisme ten spijt: het in stand houden van het kabinet zal telkens doorslaggevend zijn. Of, zoals Van den Berg het treffend uitdrukte: regeren is ,,het voorkomen van verkiezingen'' geworden.

Dus gaat een Tweede Kamer die toch iets substantieels te doen wil hebben, zich met andere zaken bezighouden: controle! Niet onbelangrijk; het is zelfs één van de grondwettelijk omschreven taken van een parlementariër. Maar op het moment dat de Tweede Kamer overeenkomsten gaat vertonen met een willekeurig accountantskantoor, is er toch iets mis. Temeer als in alle controle-ijver de Tweede Kamer haar eigen eigen rol stelselmatig dreigt te vergeten.

Het altijd weer opkomende rumoer rond de Betuwelijn is een sprekend voorbeeld. De Betuwelijn is een geval van permanent parlementair ongemak, zoals zaterdag 14 juni nog in deze krant door Dick van Eijk en Gretha Pama werd beschreven. Van de oorspronkelijke filosofie achter het project is weinig meer over. Althans: bij de generatie politici die thans de Tweede Kamer bevolkt. Geloof in het idee van een snelle, schone verbinding met het achterland is er nauwelijks nog. In plaats van volstromende wegen zien zij slechts opeenhopende kosten. Dus wordt er met een nieuw rapport van de Algemene Rekenkamer in de hand maar weer een nieuw onderzoek begonnen. Niet alleen om de kostenoverschrijdingen van de Betuwelijn te onderzoeken. Als het aan het VVD-Tweede-Kamerlid Hofstra ligt wordt het een inventarisatie en evaluatie van diverse grote infrastructurele projecten. Daarmee kan een parlementaire onderzoekscommissie zichzelf weer geruime tijd bezighouden.

Hofstra wil zowel voor de Tweede Kamer als voor het kabinet ,,lessen voor de toekomst leren''. Maar daarvoor is in het geheel geen nieuw onderzoek nodig. Gezond verstand is al meer dan voldoende. Het is vrij simpel na te gaan hoe de kosten van de Betuwelijn zo de pan uit zijn gerezen. Voor een belangrijk deel is dat gekomen door toedoen van de politiek (Tweede Kamer of kabinet), die lokaal verzet tegen de aanleg van de goederenspoorlijn telkens weer wist af te kopen met een ander infrastructureel kunstwerk. Hierdoor werd de Betuwelijn ruim twee miljard euro duurder. Toen in het midden van de jaren negentig kosten en baten echt uit balans dreigden te raken werd naar Oud-Hollands gebruik een brede commissie onder leiding van een politicus-op-afstand (in dit geval de Friese commissaris van de koningin, de VVD'er Loek Hermans) aan het werk gezet om de rentabiliteit van de Betuwelijn te onderzoeken. Door middel van een zeer doorzichtige boekhoudkundige truc wist hij een winstgevende toekomst te voorspellen. Als het vrachtvervoer over de weg maar voldoende met heffingen werd belast, kon de Betuwelijn rendabel worden, was zijn conclusie. Noodzaak Betuwelijn aangetoond, concludeerde de minister van Verkeer en Waterstaat gerustgesteld en de Tweede Kamer praatte haar in meerderheid na. Want wie misleid wil worden, wordt dat ook.

De Tweede Kamer kan achteraf wel verbaasd en verontrust zijn over de kostenexplosie waarmee de aanleg van de Betuwelijn gepaard gaat, maar terecht is het niet. Het parlement was er volop bij betrokken. Er vallen dan ook, zoals de Tweede Kamer nu met behulp van nieuw onderzoek wil, weinig lessen te trekken behalve dan dat politici geen krokodillentranen moeten huilen. Grote infrastructurele werken vragen altijd om politieke durf, geloof in een onzekere toekomst en geld. Wat dat betreft is de Betuwelijn absoluut niet uniek.

Altijd is er het (begrijpelijke) verzet van degenen die hinder hebben van zo'n grootschalig project; het particuliere belang botst haast per definitie met het algemene belang. Altijd ook is er de nut en noodzaak discussie. De ervaring van het heden maakt het mogelijke probleem van de toekomst nu eenmaal ongrijpbaar. Dat speelde ten tijde van de Industriële Revolutie ook al bij de aanleg van spoorlijn Haarlem-Amsterdam of het Noordzeekanaal. Beide projecten zou Nederland distributieland anno 2003 niet graag gemist hebben.

Bij grote infrastructurele projecten staan politici voor de keuze tussen de veilige bevestiging van het bestaande of het meer riskante overtuigen ten behoeve van de toekomst. Anders gezegd: de keuze tusssen het paaien van het electoraat of het trotseren ervan.

Dat de Tweede Kamer haar controletaak serieus neemt valt alleen maar toe te juichen. Maar wat meer verantwoordelijkheid durven nemen voor in het verleden genomen besluiten zou de Tweede Kamer ook niet misstaan.