Verscheurdheid en strijd in Perlmuters beelden

Op drie boomstamachtige zuilen rust een naar alle zijden uitstulpende massa. De krachtige vorm van het geheel wordt verlevendigd door een expressieve textuur, ruw op de boomstammen, gladder en meer organisch op de gewelfde massa. Dit kloeke bronzen beeld van Pearl Perlmuter (87), getiteld Wave, 173 cm hoog, staat momenteel in het Rietveldpaviljoen en is daar goed op zijn plaats. Het ontstond in 1958 als gipsmodel en is eindelijk in 2000, nadat het door het Kröller-Müller Museum was aangekocht, in brons gegoten. Jammer is dat in deze bronzen versie de naad die in het gipsen model duidelijk zichtbaar is tussen de zuilen en de erop rustende massa, is weggewerkt. Deze cosmetische verfijning is ten koste gegaan van de visuele materialiteit van de sculptuur, van het gevoel van dragen en gedragen worden.

Binnen in het museum staat nog een prachtig beeld dat in 2000 is aangekocht, Funeral Pyre, uit 1957, brons, 40 cm hoog. Het is een piramidale opeenstapeling van bulten en holtes die, zoals de titel ook stuggereert, doet denken aan een brandend vuur. Perlmuter maakte de brandstapel ter nagedachtenis van Auschwitz; het is hoogst zelden dat een sculptuur op een waardige en overtuigende manier recht doet aan deze geschiedenis, maar Perlmuter is het gelukt. Je zou willen dat dit beeld ook groter en monumentaler werd uitgevoerd.

Het is de story of her life dat Perlmuter door maatschappelijke omstandigheden klein gehouden is en dat zij ook zichzelf te klein gehouden heeft. Als echtgenote van de ambitieuze en door haar bewonderde Wessel Couzijn emigreerde de beeldhouwster in 1946 van haar geboortestad New York, waar zij was opgegroeid in een orthodox joods gezin, naar Nederland. Zij heeft zich in ons land nooit volledig thuisgevoeld. Het viel haar moeilijk om haar kunstenaarschap te ontwikkelen in de schaduw van de dominante Couzijn, met wie zij een atelier deelde omdat zij als vrouw niet in aanmerking kwam voor een eigen atelier. Ook voelde zij zich verscheurd tussen haar moederschap en haar artistieke ambities. Toen de twee in 1973 uiteindelijk scheidden heeft Perlmuter zich vooral ingezet voor de verbetering van de werkomstandigheden van vrouwelijke kunstenaars.

De tentoonstelling van haar beelden, ongeveer 20 in totaal, in het Kröller-Müller beperkt zich tot de periode 1957-1968. Overal in dit werk wordt verscheurdheid en strijd zichtbaar, zowel haar persoonlijke strijd en eenzaamheid als de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De beelden uit de jaren vijftig, opgebouwd en gemodelleerd in klei om een ijzeren staketsel heen, zijn massief, gedrongen en monumentaal van uitstraling. In de jaren zestig stapte Perlmuter over op een nieuwe techniek. Ze wilde dat haar beelden lichter werden, loskwamen van de grond. Om de compacte vormen open te breken verving ze het ijzer door riet, waaromheen zij was aanbracht. In de oven verbrandt het riet. Zo kon ze, in haar woorden, `vliegende vormen' maken. Maar dit was niet het enige voordeel. Terwijl haar beroemde leermeester Zadkine haar geleerd had dat de ijzeren constructie het ontstaanproces van het beeld onomkeerbaar maakte, maakte het riet het mogelijk om de compositie tijdens het boetseren te veranderen.

Aldus ontstonden expressionistische, fragiele, sprieterige constructies die vaak de herinnering aan mensenfiguren in zich dragen, met titels als Picador, Night Riders en Wanderer. De vergemakkelijking van de techniek brengt met zich mee dat de beelden uit de jaren zestig de concentratie en de gespannen gedrongenheid van het vroegere werk missen. Het plastisch gevoel van de klassieke sculptuur is verdwenen. Toch ontstonden ook in deze nieuwe trant af en toe sculpturen, samengesteld uit flarden brons. De detaillering is bijzonder en typerend voor haar werk: de afdruk van de gestolde was is duidelijk zichtbaar in het brons.

Het is een beetje triest om te zien dat Perlmuter nog steeds te klein gehouden wordt. Voor deze tentoonstelling, die een belangrijk overzicht pretendeert te zijn van Perlmuters meest creatieve periode, kreeg zij, behalve het Rietveldpaviljoen, binnen in het museum het prentenkabinet toebedeeld, dat met zijn schaarse verlichting bij uitstek ongeschikt is voor het tonen van sculptuur, alsmede de gang naast het prentenkabinet, waar haar sculpturen hinderlijk in de weg staan. Ook zijn de triplex-sokkels, nu eens kegel- dan weer cylindervormig, oerlelijk en door hun visuele lichtheid niet geschikt voor sculptuur, en bovendien veel te groot voor haar werk. Het Kröller-Müller heeft weliswaar enkele van haar beste sculpturen in de collectie opgenomen, maar het presenteert Perlmuters werk niet op een manier die het verdient.

Pearl Perlmuter: sculpturen 1957-1968. In het Kröller-Müller Museum, Otterlo. T/m 17 augustus. Dizo 10-17 uur.