Ware democraat is half Big Mac en half croissant

Het was een goed idee van de Duitse filosoof Habermas om zijn collega's op te roepen hun visies op de toekomst van de Europese Unie uit te wisselen op het moment dat de oorlog in Irak een verdeeldheid tussen Europese elites en een verwijdering tussen massa's in Amerika en Europa aan het licht bracht. Maar het resultaat is pover (Opiniepagina, 6 juni).

De Italiaanse filosoof Vattimo betoogt dat de goede Europeaan allereerst een niet-Amerikaan is met een quasi-genetische aanleg voor socialisme. Vattimo doet of er niets is veranderd sinds Werner Sombarts Warum gibt es in den Vereinigten Staaten keinen Sozialismus? (1906). Hij miskent dat zowel de Amerikaanse als de Europese progressieven goede redenen hadden om in het laatste kwart van de twintigste eeuw hun geloof in de goede grote overheid te herzien en te kiezen voor een beperkter en strenger sociaal beleid. Hij verzwijgt dat Europese marktwerking en monetaire eenwording een socialistische economie in de lidstaten onmogelijk maken. En hij gaat voorbij aan de bijdrage van socialisten als Craxi aan de corruptie en de opkomst van volkskapitalistische politici als Berlusconi.

De Spaanse filosoof Salvater beweert dat de goede Europeaan een deelnemer is aan een vreedzame wereldbeschaving, gekenmerkt door een mondiaal beheer van grondstoffen, mensenrechten, sociale zekerheden en democratische spelregels. Dit beschavingsideaal zou handen en voeten moeten krijgen in het grondwetsontwerp van Giscard d'Estaing. Salvater legt helemaal niet uit waarom de eenwording van wereldregio's zoals de Europese Unie nodig is. Wereldburgerschap kan toch ook worden bereikt door een gestadige groei van het aantal democratische natiestaten en hun samenwerking in de Verenigde Naties? Salvater zwijgt over de feitelijke spanning tussen Europese beleidsmaatregelen en instellingen enerzijds en het kosmopolitisme (leer van het wereldburgerschap) anderzijds. Het protectionistische landbouwbeleid is het belangrijkste maar helaas niet unieke voorbeeld van Europese eenwording in strijd met wereldwijde welvaart.

De Duitse-Franse as Derrida-Habermas zoekt de goede Europeaan in het eeuwenoude stedelijke handelsnetwerk dat loopt van Amsterdam tot Venetië en dat sinds 1945 het grondgebied werd van de Europese Economische Gemeenschap. Het zijn staten en volken als Nederland die het voortouw moeten nemen bij de vormgeving van `mondiaal binnenlands beleid', zoals humanitaire interventie, humaan strafrecht (afschaffing van de doodstraf) en humane economische ontwikkeling (armoedebestrijding, onderwijs). Deze nieuwe Europese Unie moet een ,,tegenwicht bieden aan het hegemonistische unilateralisme van de Verenigde Staten'', om te beginnen met een Europees veiligheidsbeleid. Derrida en Habermas geven geen enkele rechtvaardiging voor een pleidooi dat neerkomt op Europese desintegratie. Hun Kantiaanse hoop op insluiting van iedereen gaat gepaard met een uitsluiting van noordelijke lidstaten (waaronder ook het Verenigd Koninkrijk), oostelijke lidstaten (waaronder Polen) en zuidelijke lidstaten.

De Italiaanse filosoof Eco en de Franse filosoof Manent zijn de enigen die rekening houden met de sociale en politieke moeilijkheden van het huidige Europese project. Zij adviseren politieke leiders om zich een beeld te vormen van de bedreigingen van de Europese seculiere vrede. Ongeacht de militaire strategie van de Amerikanen, valt er niet te ontkomen aan een verzoening tussen Blair enerzijds en Chirac en Schröder anderzijds en aan een opvoering van militaire uitgaven in het kader van een Europese Defensieve Unie ,,hoe miniem ook'' (Eco).

Vooral door deze bijdragen wordt het probleem wat duidelijker. In de periode 1945-2003 was sprake van Europese integratie en Europese deelname aan wereldordening bij de gratie van een goede verstandhouding met de Verenigde Staten, een ontbrekende Europese identiteit (geen Europees nationalisme in het groot), een regeling van de defensie via internationale bondgenootschappen en een beperkte Europese regelgeving in het economisch domein. Sinds dit jaar treedt een visie aan de oppervlakte die de Europese toekomst afhankelijk denkt van een polarisatie met de Verenigde Staten, een Europese identiteit, een Europees leger en een omvattende Europeanisering van de economische politiek, het buitenlands beleid en de justitie.

De door Habermas uitgenodigde wijsgeren laten zien dat hier sprake is van een onverenigbaarheid van doelen en besluiten. Wie een duurzame en uitgebreide Europese Unie wil, die moet afzien van anti-Amerikanisme en een Europees leger. Wie een sterke en expansieve Europese Unie wil die zowel op militair als civiel terrein een macht vormt tegenover de Verenigde Staten, moet aanvaarden dat slechts een beperkt aantal Europese staten en volken dit ideaal delen en dat bepaalde grote landen, met name Frankrijk, dan voor een veel kleiner Europees orkest uitlopen.

Tocqueville, geestelijk vader van de intercontinentale democratie, merkte op dat de moderne vrijheid ondeelbaar is en dat een respectabele democraat zich half-Amerikaan en half-Fransman zou moeten voelen. Deze oude ervaringswijsheid is sinds 11 september 2001 alleen maar actueler geworden. Zij wordt door denkers als Derrida en Habermas vergeten, in een domme weerspiegeling van het door hen zo gehate neoconservatisme. Misschien is er een niet-nationalistische en niet-imperialistische methode waarbij Europese, westerse en mondiale integratie van democratische rechtsstaten in elkaars verlengde liggen. Maar kennelijk schiet de Europese wijsbegeerte niet op bij de uitvinding van een dergelijke methode.

Jos de Beus is hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam.

www.nrc.nl/opinie : Geciteerde artikelen over de identiteit van Europa.