Schots&schreef

De `Scottish Revival' van de jaren '90 was niet de eerste Schotse bloeiperiode. Aldus Pieter Steinz in deel 24 van een serie over lezen op locatie.

Niet lang nadat de Glasgowse schrijver James Kelman de Booker Prize had gewonnen voor How Late It Was, How Late (1994), werd hij door de Schotse media genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur. Dat zou je nationale zelfoverschatting kunnen noemen, maar ook een bevestiging van gegroeid literair zelfvertrouwen. In de eerste helft van de jaren negentig had het internationale succes van Kelman en Irvine Welsh (Trainspotting) Schotland voor het eerst sinds vele decennia weer op de kaart gezet. Jonge schrijvers als Alan Warner en A.L. Kennedy, medewerkers van het hippe literaire tijdschrift Rebel Inc., werden gelanceerd als vertegenwoordigers van een nieuwe stroming: The Glasgow School. Niet alleen injecteerden ze het traditionele sociaal-realisme van de Schotse literatuur uit de jaren zestig en zeventig met een flinke dosis seks, drugs en rock'n'roll; ook maakten ze het Schotse dialect salonfähig. Op de dit jaar gepresenteerde Granta-lijst van twintig beste Britse jonge schrijvers stonden maar liefst drie Schotten; en dan mocht Michel Faber (The Crimson Petal and the White) niet eens meedoen omdat hij half-Nederlands is.

De `Scottish Revival' van de jaren negentig was niet de eerste literaire bloeiperiode van Caledonia. In de achttiende eeuw was Edinburgh een van de verlichtste steden van Europa – een plaats waar de filosoof David Hume converseerde met de biograaf James Boswell en waar de nationale dichter Robert Burns (auteur van `Auld Lang Syne' en `My Love Is Like a Red Red Rose') de weg plaveide voor Walter Scott. Het was de romantische dichter Scott, een fervent verzamelaar van historische balladen, die vanaf 1814 met de Waverley-cyclus zijn geboorteland in de literatuur een verleden gaf. Zijn aanvankelijk in de 18de eeuw gesitueerde avonturenverhalen werden verslonden in Engeland, Amerika en Europa. Als grondlegger van de historische roman was hij van grote invloed op onder meer James Fenimore Cooper, Victor Hugo en A.L.G. Bosboom-Toussaint. Als beschrijver van alles wat Schots was, werd hij alleen geëvenaard door Robert Louis Stevenson, de auteur van Kidnapped (1885) en The Master of Ballantrae (1888). Én door de kopstukken van de Scottish Revival natuurlijk: zij vervingen 160 jaar na Scott het romantische beeld van Schotland (woeste Highlands, dito bewoners) door een grimmige, maar vrolijk beschreven werkelijkheid vol angstaanjagende stadsgezichten en op hol geslagen drugsgebruikers. De lezer mag bepalen waaraan hij/zij de voorkeur geeft.

Volgende week: Japan. Suggesties en opmerkingen: steinz@nrc.nl