Hoe verover je de buurvrouw

Anne-Mei, het geadopteerde dochtertje van de buren, vertelt aan de elfjarige Koen dat ze van een Indonesische oom een geluidsbandje opgestuurd heeft gekregen. Daarop zingt ze een kinderliedje in het Chinees, een taal die ze inmiddels vergeten is. `Dat is toch stom?', zegt ze. `Dat ik een taal heb gesproken waarvan ik nu geen woord meer versta. Snap jij dat nou?' En Koen antwoordt: `Ja, heel goed.' Het is het slotakkoord van Stijn Aerdens tweede roman, een klein maar fijn boekje, opgebouwd uit fraai gestileerde verhalen, opgetekend uit het perspectief van hoofdpersoon Koen Helmhout.

Met veel empathie beschrijft Aerden (1966) de nog beperkte en relatief veilige leefwereld van een kind in wiens bestaan alles nog draait om het gezin, ooms en tantes, vriendjes uit de straat, buren en school. Je zou deze roman kunnen beschouwen als Ot en Sien voor volwassenen of – iets moderner – Jip en Janneke voor gevorderden, en dat bedoel ik niet negatief. De verhalen zijn tijdloos. Alleen uit de introductie van een kleuren-tv en het bestaan van Mavo en Havo valt op te maken dat ze na de jaren zestig spelen, in een stad die vermoedelijk beneden de grote rivieren is gelegen, gezien de prominente rol van de katholieke kerk.

Koens begrip voor het door Anne-Mei opgeworpen raadsel dat ze een taal heeft beheerst waarvan ze nu niets meer verstaat, is betekenisvol. De schrijver maakt namelijk duidelijk dat iets dergelijks voor ieder mens geldt. Wie opgroeit en volwassen wordt verstaat de taal waarin hij als kind heeft gesproken en gedacht niet meer. Des te knapper dat Aerden toch kans ziet consequent door de ogen van een elfjarige te kijken en wat hij waarneemt vast te leggen in diens vocabulaire. Op een milde manier neemt hij Koens onbenulligheden debiterende familieleden op de hak. Daarin is hij humoristisch zonder geestig uit de hoek te willen komen, iets wat hem in zijn debuutroman Goochelaar (geen konijnen) (1995) op nogal hinderlijke wijze parten speelde.

Een verschil met dat eerste boek is ook dat seks dit keer een marginale rol speelt, al levert Koen er genoeg bewijs van dat erotiek bij elfjarige jongetjes een niet te onderschatten plaats in het gevoelsleven inneemt. Aandoenlijk is Koens verliefdheid op een mooie buurvrouw die hij probeert los te weken van haar in zijn ogen afstotelijke echtgenoot.

Met de hele familie en Koen is een verzameling mooi geschreven anekdotes, wars van de zelfvertedering waaraan veel verhalen over kinderen ten onder gaan. Stijn Aerden is een auteur waarvan nog veel te verwachten valt. Evenals als Goochelaar (geen konijnen) biedt dit boekje een momentopname uit een jeugd, goed gedaan, maar inhoudelijk net iets te dun om voor volwaardige roman te kunnen doorgaan. Tijd voor een grotere greep.

Stijn Aerden: Met de hele familie en Koen. Meulenhoff, 158 blz. €17,50