Politiek beginsel

EEN CONSTITUTIE voor de Europese Unie eist steeds meer de aandacht op. Intussen zijn een aantal flankerende manoeuvres gaande die niet uit het oog moeten worden verloren. Justitie en politie vormen zo'n thema. De ,,ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid'' werd als Europees doel al in het Verdrag van Amsterdam geschreven. De nieuwe constitutie zal dat ongetwijfeld bevestigen. Intussen zit de Europese Commissie niet stil. Zij publiceerde een Groenboek over invoering van gezamelijke minimumnormen voor de behandeling van verdachten in strafzaken in de lidstaten van de EU.

EU-rechten voor elke verdachte lijken mooi te sporen met de stoutmoedige voorstellen van minister Donner (Justitie) over een eigen Europees strafrecht. Toch zit er een addertje onder het gras, zoals blijkt uit een bijdrage van de hoogleraren Fijnaut en Groenhuijsen in het Tijdschrift voor Strafrecht van vorige maand. Er bestaat namelijk al een Europese norm voor een eerlijk proces. Deze wordt bewaakt door het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. De norm die de Europese Commissie voorstaat, valt onder het Hof van Justitie van de Unie in Luxemburg. Een aparte EU-norm is niet alleen overbodig, maar vormt een recept voor ernstige juridische wrijvingen.

Het Groenboek laat bovendien weinig over van de gedachte van subsidiariteit die de EU sinds het Verdrag van Maastricht voorstaat. Dit betekent dat de Unie geen zaken aan zich moet trekken die beter op nationaal niveau kunnen worden geregeld. Op de keper beschouwd is sprake van een dubbele subsidiariteitstoets: is Europees optreden strikt nodig, en zo ja, moet dat dan de vorm krijgen van harmonisatie of kan worden volstaan met betere samenwerking tussen de staten?

Het strafproces is bij uitstek een aangelegenheid waar internationale normen een nationale inkleuring moeten krijgen om overtuigend te zijn. Het strafproces is ook een weerspiegeling van verschillen tussen lidstaten in de opvattingen over mensenrechten en zelfbeschikking. Dit zijn culturele verschillen die respect verdienen. Ze vormen een belangrijk argument voor het voorstel van Donner.

DE CONVENTIE, die de ontwerp-grondwet moet opstellen, legt veel nadruk op het thema subsidiariteit. Nu is dit beginsel met reden afgeschilderd als ,,een bezweringsformule'' of ,,een containerbegrip''. Op de Top van Birmingham in 1992 moet de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, al eens een prijs hebben uitgeloofd voor degeen die hem kon vertellen wat de feitelijke betekenis van subsidiariteit is bij de vormgeving aan de Unie. Het is nog onduidelijk of de Conventie deze prijs alsnog in de wacht kan slepen. Zij worstelt met de rol van nationale parlementen bij het toepassen van de voorgestelde subsidiariteitstoets en de vraag of deze onderworpen moet worden aan beroep hij het Hof.

Het minste wat van subsidiariteit valt te zeggen is dat het een politiek beginsel is, dat dus vooral om een politieke toepassing vraagt. Het Groenboek leent zich bij uitstek voor een politieke beslissing: niet doen, als men meer dan lippendienst wil bewijzen aan het subsidiariteitsbeginsel.