Het nut van de schandpaal

De Clickfondszaak heeft laten zien dat het strafrecht niet altijd het meest succesvolle middel is in de strijd tegen beursfraude. Volgens promovenda Majorie Jap-A-Joe ziet veel meer in bestuurlijk toezicht.

Terwijl het Amsterdamse openbaar ministerie (OM) zich met de moed der wanhoop door de omvangrijke Clickfondszaak worstelde, hing de vraag pregnant in de lucht: is het strafrecht wel het geschikte middel om het gesloten beurswereldje bij de les te brengen? Dit is het centrale thema van het proefschrift Beursfraude effectief aangepakt waarop Majorie Jap-A-Joe Blagrove aan de Universiteit Maastricht is gepromoveerd.

Haar antwoord is ronduit negatief: een minimale inzet van het strafrecht tegen beursfraude is de beste.

Een op de effectenwereld toegespitst bestuurlijk toezicht – de opdracht van de Autoriteit Financiële Markten (ATM) – verdient verre de voorkeur. De strafrechtelijke aanpak van het OM vervult een onmisbare ,,vangnetfunctie'', maar daarbij past toch vooral terughoudendheid wegens alle bezwaren die het strafrecht meebrengt.

De moeilijkheden voor het strafrecht beginnen al met de aanduiding `beursfraude'. Dat is een term die men tevergeefs zal zoeken in het Wetboek van strafrecht. Het is een containerbegrip, een allegaartje van kwalijke praktijken, zoals handel met voorwetenschap en de aanverwante methode van frontrunning (meelopen met orders), het misleiden van (potentiële) beleggers, witwassen van zwart geld en koersmanipulatie c.q. -orkestratie of het zogeheten churning (het jagen op commissies door het aantal transacties op te schroeven). De juridische status van deze en andere wanbedrijven wisselt nogal. De ene keer gaat het om overtreding van expliciete wettelijke normen, de andere keer meer om vergrijpen tegen het goed koopmansgebruik, zoals dat in vroeger tijden heette. Wel hebben al die verschillende knoeierijen algauw één ding gemeen. Doorgaans is sprake van een combinatie van delicten: een gronddelict en een bedriegelijke handeling, met name administratief gesjoemel, om dat te verdoezelen.

Overtreding van allerlei administratieve voorschriften is in de praktijk voor de justitie vaak het begin van het draadje dat moet worden afgerold om tot de kern van de zaak te raken. De Clickfondszaak laat zien dat dit makkelijker is gezegd dan gedaan. Er is van alles in het justitiële schepnet blijven hangen, een hele serie belastingovertredingen en aanverwante delicten. Deze vangst is zeker niet te veronachtzamen, maar een grote klapper is tot nu toe uitgebleven. En daar was het bij de inzet van het strafrecht juist om begonnen.

Een tweede complicatie bij de inzet van het strafrecht tegen zogeheten witteboordencriminaliteit als beursfraude vormen de gebruikte methoden, zo waarschuwde het echtpaar Brants al in 1991 in een criminologische dissertatie. Om de grote jongens aan te pakken zijn een ,,straatvechtersmentaliteit'' en morele partijdigheid vereist. Deze laten zich moeilijk verenigen met de ,,magistratelijke rol'' waar het OM het in laatste instantie toch van moet hebben. Dat dit wringt, is in de Clickfondszaak gebleken. De aanklagers hebben verschillende malen een uitbrander gehad van de rechter.

Alles goed en wel, maar is het bestuurlijke beurstoezicht op zijn beurt wel opgewassen tegen de van oudsher sterke ,,ons-kent-ons''-cultuur van de effectenwereld? Jap-A-Joe behandelt deze vraag aan de hand van een vergelijking van de AFM en de Securities and Exchange Commission (SEC) in de Verenigde Staten. De SEC wordt in de financiële wereld vaak tot voorbeeld gesteld om zijn krachtdadige aanpak van ,,de donkere zijde van Wall Street'', zoals dat is genoemd. De SEC heeft volgens het proefschrift niet eens zoveel meer bevoegdheden dan de AFM.

Dat is overigens maar hoe men het bekijkt. Anders dan de AFM mag de SEC bijvoorbeeld zelf financiële sancties opleggen aan wetsovertreders, zoals de civiele boete (schadevergoedingsstraf) en het ontnemen van wederrechtelijk voordeel. Toch vindt de auteur dat de AFM niet meer bevoegdheden nodig heeft, zei ze tegen de Staatscourant. Deze stelling wordt in het boek niet geheel waargemaakt. Het blijft beperkt tot een nogal technische opsomming van wetsbepalingen, die vragen openlaat over de praktijk van de handhaving.

Ook het afschieten van de strafrechtelijke aanpak gebeurt wel erg summier. Het gaat de auteur eigenlijk maar om één ding, het schandpaaleffect van een strafproces. Dat geldt voor de gewone man net zo goed als voor de beurshandelaar. Het effect van de begeleidende publiciteit is binnen de effectenwereld echter veel sterker voor de verdachte – en zijn organisatie. Zozeer, dat de auteur zich afvraagt of hier nog wel kan worden gesproken van een onvermijdelijk doch bijkomend effect van het strafrecht. Zij vindt dat de verdachte van beursfraude door de voorafgaande publiciteit vaak al genoeg wordt bestraft. Een veroordelend vonnis vormt dan in feite een dubbele straf, vindt Jap-A-Joe, en dat is oneerlijk.

Hier worden toch een paar dingen door elkaar gehaald. Het begin van de Clickfondszaak ging inderdaad met veel publiciteit gepaard. Mensen uit de beurswereld werden met veel tamtam opgepakt en ingesloten. Maar dat is niet verplícht; het OM had met meer omzichtigheid te werk kunnen gaan. Het blijft voor een verdachte uit de effectenwereld altijd vervelend in het openbaar terecht te moeten staan. Maar juist het beurswereldje heeft een sterke eigen (sub)cultuur. Het vergt af en toe een breekijzer om dat open te breken en dat wijst dan toch weer in de richting van het strafrecht. Daar komt nog iets bij, zoals het Financieel Dagblad noteerde bij de start van Operatie Clickfonds: ,,als zelfs maar een kwart klopt, dan is [de beursfraude] zorgwekkend breed verspreid''.

`Beursfraude effectief aangepakt, Een onderzoek naar het toezicht en de regulering van de Nederlandse en Amerikaanse effectenwetgeving' door M.I. Jap-A-Joe Blagrove, uitg. Wolff Legal Publishers, 378 blz, 40 euro, ISBN 90-5850-0-39X.