Uitbrander

DE STRAFRECHTSPLEGING is niet de verlengde arm van de binnenlandse veiligheidsdienst. Dat was in december de boodschap van de rechtbank Rotterdam in het geval van vier van terrorisme beschuldigde verdachten. De rechtbank sprak hen vrij omdat de justitie zonder meer tot actie was overgegaan op instigatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in plaats van te toetsen of de tip wel voldeed aan de eigen eisen van een strafrechtelijke verdenking.

In een tweede terroristenproces heeft de Rotterdamse rechtbank – na een duidelijke hint van hogere rechters – deze strenge leer enigszins genuanceerd. De tip zelf was nu niet een probleem. Het openbaar minsterie (OM) schiet daar echter weinig mee op. De megazaak tegen twaalf verdachten wegens rekrutering voor de jihad (heilige oorlog) is uitgelopen op een klinkende vrijspraak. Spelbreker was ditmaal vooral de onmogelijkheid het door de AIVD verzamelde materiaal in de rechtszaal te toetsen.

Net als na het eerste Rotterdamse vonnis wordt direct geroepen om een wetswijziging die het gat tussen binnenlandse veiligheidsdiensten en justitie moet dichten. Minister Donner (Justitie) wil eerst het hoger beroep afwachten. Dat is niet alleen eleganter ten opzichte van de rechterlijke macht, maar ook verstandig, want wetswijziging is niet eenvoudig. Hij moet voldoen aan de Europese maatstaven van een eerlijk proces. De mogelijkheid voor de rechter en de verdediging om het aangedragen bewijsmateriaal te beoordelen vormt daarin een elementair vereiste.

HET OORDEEL van de Rotterdamse rechtbank was ongemeen hard. Het vonnis spreekt van een ,,zorgwekkende onzorgvuldigheid'' van het OM bij het aanleveren van het bewijs. Bovendien heeft officier van justitie Valente de aanklacht gedurende het proces drastisch afgezwakt door het aanvankelijk tenlastegelegde misdrijf van ,,hulp aan de vijand'' te laten vallen. De keuze voor deze strafbepaling was van meet af aan juridisch zeer discutabel. Het ligt voor de hand dan rekrutering voor een jihad als zodanig strafbaar te stellen, bijvoorbeeld door de bestaande strafwet over criminele organisaties uit te breiden met een wervingsverbod. Maar ook zo'n nieuwe bepaling moet in het concrete geval wél worden bewezen. En daarin zat hem in deze zaak nu net de kneep.

De uitbrander van de Rotterdamse rechtbank betekent niet dat de justitie met lege handen staat. Het vonnis geeft duidelijk aan waar de mogelijkheden voor verbetering liggen, te beginnen met een duidelijker selectie van bewijsmateriaal. Te denken valt ook aan toepassing van de speciale procedure voor anonieme getuigen. Op dit punt is Nederland overigens al eens door de Europese rechter gecorrigeerd. Een serieuze justitiële kwaliteitsslag is nodig, want de noodzaak van een vroegtijdige aanpak van rekruteringsactviteiten blijft onverminderd aanwezig.