Aanwijzingen kernprogramma Iran zijn vaag

De Amerikaanse regering beschuldigt Iran van een kernwapenprogramma. Hoe sterk zijn de aanwijzingen daarvoor?

Hoe sterk zijn de aanwijzingen dat Iran aan een atoombom werkt? Een reeks van Amerikaanse instituten heeft zich die vraag gesteld en het schort niet aan gedegen analyses. De meest recente is die van Joseph Cirincione in `Deadly Arsenals', een studie die vorig jaar door de Carnegie Endowment werd uitgegeven.

De meeste analyses, waaronder die van Anthony H. Cordesman van het CSIS en David Albright van het ISIS, beide in Washington, komen onder voorbehoud tot de conclusie dat Iran inderdaad werkt aan een atoombom – zij het uiterst langzaam. Maar de onderzoekers tekenen erbij aan dat zij zwaar moeten steunen op materiaal dat de westerse inlichtingendiensten openbaar maakten. Ook is er de hinder van een stroom desinformatie van de zijde van Israël en Iraanse oppositiegroepen.

De sterkste aanwijzingen voor een verborgen wapenprogram komen van verklaringen van uitgeweken of overgelopen Iraanse technici, maar die worden nooit met name genoemd. Daarnaast waren er verdachte bestellingen of aankopen van nucleaire technologie en typische `dual use'-goederen waarvoor Iran een hele reeks nep-bedrijven (front companies) oprichtte. Meestal leken de aankopen eerder in verband te staan met uranium-verrijking dan met wapenbouw. Maar een Iraans bezoek, in 1992, aan een metallurgische fabriek in Kazachstan heeft veel argwaan gewekt. De fabriek had een grote partij `weapons grade' uranium in depot.

Het Iraanse nucleaire programma maakt het laatste decennium een vreemde ontwikkeling door die niet logisch aansluit bij het verleden. Dat nucleair verleden begon in 1967 toen de toenmalige sjah een Amerikaanse onderzoeksreactor in gebruik nam die hoogverrijkt uranium bevatte. De reactor, inmiddels overgegaan op laagverrijkt uranium uit Argentinië, is nog steeds in gebruik.

De op het westen georiënteerde sjah investeerde zwaar in kernenergie. Hij participeerde in de Franse uraniumverrijkingsfabriek Eurodif, kocht een flinke partij `yellow cake' (uraniumoxide) in Zuid-Afrika en bestelde twee zware kernreactoren bij KWU/Siemens. Die gingen in 1974 in aanbouw in de havenstad Bushehr. Aangenomen wordt dat de sjah ook een bescheiden wapenprogramma had.

De Iraanse islamitische revolutie van 1979 en de breuk met Amerika betekende het einde van bijna alle projecten. In de oorlog met Irak (1980-1988) werden de KWU-reactoren herhaaldelijk gebombardeerd. Maar halverwege de oorlog, waarbij Irak geregeld gifgas inzette, zou Iran volgens de meeste analisten besloten hebben ook aan massavernietigingswapens te gaan werken. Chemische, biologische en nucleaire.

In ieder geval werd rond 1990 het nucleaire programma waarneembaar hervat. Zo werd het wetenschappelijk nucleair onderzoek uitgebreid met behulp van cyclotrons en neutronenbronnen (`mini-reactoren') die onder meer door China en België werden geleverd. En er werd gezocht naar voltooiing van de reactoren in Bushehr. Uiteindelijk is daartoe in januari 1995 met Rusland een contract gesloten, tot grote ergernis van de VS (onder Clinton) die prompt een diplomatiek offensief begonnen. Daarmee werd voorkomen dat Rusland óók nog een onderzoeksreactor en gascentrifuges leverde.

In plaats van Siemens-reactoren komen er bij Bushehr nu twee Russische VVER-1000 reactoren. Rusland levert daarvoor volgens contract ook de splijtstof en neemt die, na opbrand, weer terug. Omdat de VVER-reactoren niet als proliferatiegevoelig bekend staan is in feite de situatie gecreëerd die in 1994 aan Noord-Korea uitdrukkelijk werd toegestaan. Toch steekt het contract de Amerikanen als een graat in de keel.

Halverwege de jaren tachtig werd duidelijk dat de Iraanse bodem veel uranium bevat. Daarmee is het voor Iran aantrekkelijk geworden op den duur de hele splijtstofcyclus, van ertsverwerking tot verrijking, in eigen hand te nemen. En dat gebeurt nu ook uiterst voortvarend, terwijl er nog lang geen haast mee is omdat Rusland immers splijtstof levert. Onbegrijpelijk is bovendien waarom Iran, zoals eind 2002 bekend werd, een fabriek voor de productie van zwaar water heeft gebouwd. Het is welhaast zeker voor de bouw van een kernreactor die plutonium moet gaan produceren.

Sinds najaar 2002 is daarom het westerse wantrouwen intens. Daar staat het zwaarwegende argument tegenover dat Iran zich al in 1970 aansloot bij het verdrag tegen de verspreiding van kernwapens (het NPV) en zich steeds een loyale verdragspartij heeft getoond. Inspecties van het atoombureau IAEA werden nooit gehinderd. Toch werd Iran al kort na de islamitische machtsovername in 1979 getroffen door een nucleaire boycot uit de VS, waarbij veel (maar niet alle) geïndustrialiseerde staten zich aansloten.

Een dergelijke boycot druist in tegen de geest van het NPV dat juist werd opgericht om, ondanks het risico van proliferatie, overdracht van nucleaire technologie mogelijk te maken. Iran is verbitterd over de boycot en weigert daarom de in het zogenoemde `Additional Protocol' omschreven nieuwe, strengere IAEA-inspecties te aanvaarden. Deze werden ontworpen nadat gebleken was dat Irak de IAEA-inspecties had kunnen ontduiken.

De Amerikaanse ergernis over het Iraanse verzet lijkt dus wat onoprecht. Anderzijds is het weer onbegrijpelijk dat Iran de bouw van een fabriek voor uraniumverrijking niet spontaan bij het IAEA heeft gemeld. Dat hoefde nog niet, zegt Iran, want we hàdden er nog geen uranium verwerkt. Westerse technici achten dat nagenoeg uitgesloten.