Tibetaan in New York

De beste vondst van Bulletproof Monk is de titel, die echter ontleend is aan de drie delen van een, waarschijnlijk terecht, weinig opgemerkte Amerikaanse stripserie van Brett Lewis en R.A. Jones. In zijn filmleven raakt de kogelwerende Tibetaanse monnik (gespeeld door de in Amerika snel populair geworden Hongkong-ster Chow Yun-Fat) verzeild in een soort Raiders of the Lost Ark-achtig avontuur. Er moet een heilige gebedsrol uit handen van een stelletje nazi's gehouden worden. Chow Yun-Fat krijgt hulp uit zowel keurig als onverwacht bedachte hoek: van een Amerikaanse punk, die zijn kungfu-kunsten uit Bruce Lee-films heeft geleerd. Toch wordt er ondanks de producentenrol die John Woo vervulde, met uitzondering van de openingsscène, niet bijzonder spectaculair gevochten. Z'n filosofische invalshoek ontleent deze voorspelbare genremix aan gemoderniseerde zenvragen als: waarom zijn hotdogs altijd per tien stuks verpakt en de broodjes per acht?

Net zoals Jackie Chan in Amerika altijd aan de onwaarschijnlijkste buddies wordt gekoppeld, is het tamelijk raar Chow tegenover Seann William Scott te zien staan. In tienerfilms als Dude, Where is my Car? dreef hij een film lang op zijn dommige blik. Als de even slome geluksvogel Kar in Bulletproof Monk heeft hij iets meer uitdrukkingskracht tot zijn beschikking en maakt hij in ieder geval duidelijk dat, hoewel de film niet bijster inventief, hij toch gemaakt is met ogenschijnlijk plezier.

Bulletproof Monk. Regie: Paul Hunter. Met: Chow Yun-Fat, Seann William Scott. In 55 bioscopen.