Tranen en miljoenen noten

In de Amsterdamse Herenstraat is gisteren een plaquette onthuld ter herinnering aan de muziekkelder van Joost en Hub Mathijsen. Een eerbetoon aan twee formidabele broers.

Nog maar zo kort geleden, en nu al een plaats om even plechtig bij stil te staan.

De Limburgse gebroeders Mathijsen trokken in de tweede helft van de vorige eeuw naar Amsterdam. De oudste, Joost, zette er als eerste voet aan de grond. Hij studeerde medicijnen, specialiseerde zich tot psychotherapeut en schreef in Propria Cures. Hub, een jongere broer, kwam na zijn opleiding als violist aan het Brabants conservatorium. De twee namen een traditie mee uit het ouderlijk huis: onder leiding van vader Mathijsen, die in Weert de Wertha-brouwerij bestierde, werd door het gezin in de kelder gemusiceerd. In de grond was een gat gegraven om te voorkomen dat Hub's strijkstok het plafond zou raken. Toen Joost in 1970 een pand in de Amsterdamse Herenstraat betrok, werd de kelder als vanzelfsprekend voor huisconcerten ingericht.

Vele honderden strijkkwartetten, -kwintetten en andere varianten uit het kamermuziekrepertoire moeten er zijn uitgevoerd. Steeds meer musici van gerenommeerde orkesten vonden, veelal na een uitvoering in den lande, op zaterdagavond de weg naar de kelder. Ondanks (of misschien wel dankzij) de informele ambiance, waarbij een heftig debat en het musiceren elkaar probleemloos afwisselden, kwamen musici tot prachtig samenspel – ongeacht of het winnaars van het Oskar Back Concours of amateurs betrof. Het gebeurde niet elke keer, maar iedere deelnemer staat nog een aantal van die wonderlijke momenten helder voor de geest, dat heel het ensemble boven zichzelf uitsteeg en een magisch muzikaal moment voortbracht. Bij zulke gelegenheden verstomden de gesprekken van de niet-spelenden en deelde iedereen het besef dat de schoonheid van deze vertolking nooit meer te horen zou zijn.

De legendarische muziekavonden, waarvan geluid noch beeld bewaard is gebleven, leven na de dood van Joost (1991) en Hub (1994) alleen nog voort in de herinnering van de talrijke bezoekers. Er werd nog wel eens wat georganiseerd, maar ,,de ziel was eruit'', zoals Hubs weduwe Marita het uitdrukt. Zonder de enthousiasmerende (Joost) en muzikaal sturende (Hub) Mathijsens was de muziekavonden niet meer wat ze bijna een kwart eeuw waren geweest. Nog één keer per jaar komt een harde kern van de keldermuzikanten bij elkaar. Tot de aanwezigen behoren musici uit de verschillende ensembles die de broers formeerden.

Joost Mathijsen was de initiator van `ludieke' gezelschappen als het Nurks Mannenkoor en het Koor van Prettig Gestoorde Vrouwen, waarbij de `zielkundoloog' zelf aan de piano zat en de deelnemers trachtte te bevrijden van het keurslijf dat de muziek hun eeuwenlang had opgelegd. Eerder waren de broers betrokken bij de Insekten Sekte, een artistiek-ecologische actiegroep. Hub Mathijsen blies het salonrepertoire nieuw leven in met zijn Resistentieorkest, hij leidde het tango-orkest El Choclo en reconstrueerde de vooroorlogse Nelson Revue. Befaamd is zijn muzikale bewerking van de operafilm Gloria Transita.

De getrouwen rond de broers Mathijsen waren gistermiddag voor een laatste keer bijeen in de Herenstraat, omdat Joosts weduwe het pand definitief verlaat en een gedenksteen in de buitenmuur achterlaat. Die werd onthuld met een toespraak van Carel Alpenaar, cellist van het Resistentieorkest. ,,Kwelende fluiten verstomden'', beschreef hij de dwingende aanwezigheid van zijn toenmalige kapelmeester, ,,gesprekken werden ingekort, briljante beledigingen sisten door de kelderruimte, strijkstokken werden opgedraaid zoals messen geslepen worden.'' Alphenaars oordeel dat in deze kelder sprake was van ,,de Schubertiade die het laatste kwart van de 20ste eeuw dragelijk maakte'' werd bij schuimwijn bevestigd door een stoet van bekende en minder bekende musici. Hub was een fabelachtig violist en een unieke leermeester, daarover is iedereen die met hem speelde het eens. Hij was een concertmeester zonder orkest, wars van een gedienstig bestaan in de bak. Maar hij was ook een driftkop, die stampvoetend en desnoods schoppend tegen de stoel van zijn broer ritme of volume decreteerde. Een uit donkergrijs steen gehouwen tekst herinnert volgende generaties aan de `formidabele gebroeders', aldus Alphenaar, die `miljoenen noten' deden opklinken en vele tranen deden wegpinken.

Gedenkstenen van de contemporaine geschiedenis; is hier sprake van een trend? Een paar grachtenstraatjes verderop prijkt sinds kort, aan de gevel van zijn laatste huis, een plaquette ter ere van de journalist en schrijver Ischa Meijer – ook zo'n te jong gestorven Amsterdammer die het stadsleven kleurde.