Zwart-wit of kleur

Dit winkeltje was failliet gegaan. Kort na de opening had het er veelbelovend uitgezien, een eigentijdse uitvoering van de general store uit het Wilde Westen, met alles in voorraad wat je opeens nodig hebt. Velpon bijvoorbeeld. Je eigen tube blijkt platgeknepen en verdord te zijn. Met zwakke hoop ga je naar dat winkeltje, en ze hebben er alles in lijmen: Gluton, Bison Kit, Velpon en die kleine tubetjes spul waarmee je je eigen vingers aan elkaar lijmt. Je koopt de tube en opeens ben je een gelukkig mens. Nu, na een poos, kwam ik er toevallig langs, verheugde me op de etalage, maar achter het grijs bestofte raam lag niets meer. Ik keek door de ruit van de deur. Op de grond wat kapot plastic speelgoed. Dat was het.

Crisis. Koos Speenhoff heeft een liedje gemaakt over een jong echtpaar dat in een nieuwe buitenwijk een groentewinkeltje is begonnen. De tijden zijn zwaar, maar met hun jeugd en hun optimisme zijn ze onverslaanbaar. Kijk eens naar die prachtige uitstalling. Maar in deze buurt blijven de huizen leeg en in hun straat zijn ze de enige bewoners. De sla verlept, appels worden rimpelig, bananen krijgen bruine vlekken, aardappels lopen uit. En dan komt het faillissement. Jammer genoeg kan ik niets uit mijn hoofd citeren. Wel, om u een indruk van Speenhoffs talent te geven, uit een ander meesterwerk, Brief van een ouwe moeder aan haar jongen die in de nor zit. Dat gaat over een jongeman die op het verkeerde pad is geraakt. Het daarmee verworven geld gebruikt hij om mooie spullen voor zijn verloofde te kopen. Alles wat mis kan gaan, gaat mis. Terwijl hij in de gevangenis zit, komt er een nieuwe vriend in haar leven.

De moeder schrijft: En op die meid van jou moet je niet hopen. Die zag ik laatst nog met een ander lopen. Ze had die hoed die jij haar gaf nog op. Die met die veer, die had ze op haar kop.

Op een andere manier is het einde even aangrijpend als dat van het groentewinkeltje. Zo kwam ik op Speenhoff, doordat ik in het schemer, op de vloer van dit andere winkeltje wat kapot speelgoed zal liggen. Een Donald Duck met één poot, en nog een verminkte uit de Mickey Mouse-familie. Met hun olijke grijns en Disney-ogen lagen ze misschien al maanden naar het plafond te kijken. Tekenfilminvaliden in technicolor.

Hebben we op het ogenblik een crisis, of is het nog een gewone recessie? Het verschil met vorige tijden van neergang en deze is, dat die in zwart-wit waren, en wat we nu beleven, volledig in kleur is. De depressie van de jaren dertig is uitsluitend zwart-wit. De beroemde foto van de man die een bord op zijn borst draagt waarop staat dat hij werk zoekt. Drommen werklozen voor de stempellokalen, en ook de oorlogen in de Cineac: de oorlog in Abessinië, de Spaanse burgeroorlog, Chinese steden die onder de Japanse bommen als fonteinen de lucht in spoten, allemaal zwart-wit.

Wij kunnen ons het leven, d.w.z, de televisie, de film, de media, zonder kleur niet meer voorstellen. In uw fototoestel, videocamera zit kleurenmateriaal. Als u niet iedere dag een kleurenfoto van 20 bij 20 in uw krant ziet, zegt u uw abonnement op. Wat was op de eerste dag van de oorlog de shock and awe geweest als de hemel boven Bagdad niet al die tinten had vertoond, oranje, rose, groen, melkblauw? Hoe had dat er in zwart-wit uitgezien? Als uw kleurentelevisie – of gewoon: televisie, want een zwart-wit toestel is niet meer te koop – op zwart-wit gaat, weet u dat het of kapot is, of dat er een oude film wordt vertoond.

Dan is er nog een mogelijkheid. Deze film is nu gemaakt, expres in zwart-wit, omdat de maker een bijzonder soort echtheid aan het beeld heeft willen geven, de eigenschap van het document die aan het beeld in kleur ontbreekt. Zwart-wit wordt gebruikt door iemand die een bepaald soort authenticiteit wil bereiken. Zeer strikt genomen is dat onzin, want alle dingen hebben kleuren en met de moderne techniek – daar heb je die weer – worden op film en video de kleuren vastgelegd zoals ze in werkelijkheid zijn, althans zoals ze op ieders netvlies verschijnen. Helemaal zeker weet je dat nooit, maar we nemen het aan. Wat in kleur is vastgelegd, verschijnt dus objectief als `echter' dan wat in zwart-wit wordt vertoond. En toch wordt zwart-wit vaak authentieker gevonden. Hoe komt dat?

Een sluitende verklaring heb ik er niet voor. Uit mijn geheugen komt de depressie van de jaren dertig tevoorschijn als grauw: met een decor zonder frisse kleuren, zonder sprankeling of straling, met op de voorgrond van het toneel vooral mannen, grijs gekleed en met een pet of gleufhoed op, en magere gezichten. Om een echte dikzak te zien, moest je naar de kermis: de dikke dame die in een tent zat. Voor een stuiver mocht je naar binnen.

In 1933 was ik zes; het kan dus zijn dat mijn geheugen in de loop van de tijd door de foto's en films is bepaald. Maar grauw was het hele straatbeeld; alles in nuancen grijs.

Zo is het min of meer gebleven tot het einde van de jaren vijftig. Toen begon in het Westen, in de publiciteit, in de media, op straat, overal de opmars van de kleuren. Eerst was het nog kunstmatig-zoete technicolor, maar het werd steeds `echter'. En nu is alles in kleur, van de fun tot de shock and awe, nooit hebben we het authentieker gekleurd gezien.

Crisis, of wat nog geen crisis is, maar een neergang die zich in je hoofd vestigt, zo'n toestand heeft zijn eigen kleuren. Dat zijn de grijzen. De authenticiteit van dit tussen zwart en wit zie je achter het bestofte raam van een failliet winkeltje; de tijd van Speenhoff.