Zoeken naar de juiste beenderen

Bijna dagelijks worden in Irak massagraven gevonden van de honderdduizenden slachtoffers van Saddam. Bij de opgravingen dreigt veel bewijsmateriaal tegen het vroegere Iraakse regime verloren te gaan. Maar de nabestaanden willen de overschotten zo snel mogelijk fatsoenlijk herbegraven.

`Laat me huilen.'

In een smalle houten kist op een pick-up truck arriveert het overschot van Mohammed Abdel Zaher op de begraafplaats bij de heilige stad Najaf. Een onafzienbare okerkleurige necropolis. Her en der zijn mensen bezig doden ter aarde te bestellen in grafhuisjes. Als het even kan wil elke Iraakse sjiiet in Najaf worden begraven, nadat zijn of haar lijk eerst enige malen rond de rijkelijk versierde tombe van imam Ali, de grondlegger van hun geloof, is gedragen.

Mohammed Abdel Zaher is al twaalf jaar dood. In het vroege voorjaar van 1991 was hij betrokken bij de opstand van de sjiieten tegen het bewind van Saddam Hussein. Maar Saddam was te sterk en diens wraak was verschrikkelijk. Duizenden sjiieten werden opgepakt en al dan niet na gevangenschap geëxecuteerd. Vervolgens werden hun lijken in massagraven gegooid. Dat lot trof ook Zaher, toen 24 jaar.

Het lage roestige deurtje van het familiegraf van de Zahers staat al open. Een bezwete grafdelver staat in een gat van een paar meter diep. Snel wordt de kist door familieleden en vrienden naar binnengedragen en overeenkomstig islamitisch gebruik opengemaakt. Er ligt slechts een zak met beenderen in en een halfvergaan zwart jasje. Dat laatste was cruciaal bij de identificatie van Zaher, toen zijn overschot enkele dagen geleden in een massagraf bij de plaats Hillah, zo'n 100 kilometer ten zuiden van Bagdad, werd gevonden.

De tientallen aanwezigen – allemaal mannen – heffen een gebed voor de dode aan. Ze houden Zahers portret omhoog. Op de foto kijkt hij met zijn bleke en nogal pafferige gezicht ernstig voor zich uit. Een jongen van een jaar of dertien wordt naar voren geschoven, de zoon van de overledene. Als puber staat hij nu aan het tweede graf van zijn vader, aan wie hij geen enkele herinneringen heeft.

Na enige klagend gereciteerde verzen uit de koran verdwijnen de zak en het jasje in het graf, dat snel wordt toegedekt met zand. De begrafenisgangers persen zich weer door het deurtje, dat meteen op slot gaat. De grafdelver en een paar collega's stappen op een bromfiets, en weg zijn ze. De hele ceremonie heeft amper tien minuten geduurd. Tranen zijn er niet gevloeid. Na twaalf jaar was men kennelijk uitgehuild. Hoofdzaak is dat Zaher eindelijk een fatsoenlijk graf heeft gekregen.

Buiten de poort hebben enkele familieleden en vrienden behoefte nog even hun hart te luchten. Verscheidene van hen hebben foto's bij zich van dierbaren die in 1991 zijn vermoord. Alleen zijn hún overschotten nog steeds niet geidentificeerd in de zee van botten en schedels die de massagraven vormen.

Een ander, een internist, vertelt dat hij kort tevoren de laatste resten van drie van zijn broers heeft begraven. Met een portret van de Amerikaanse president Bush erbij. Bush de jonge, zegt hij er nadrukkelijk bij, want voor Bush senior, die geen vinger uitstak voor de sjiietische opstandelingen nadat zijn regering hen had aangemoedigd tegen Saddam in opstand te komen, koestert hij bepaald geen warme gevoelens. ,,Bush de jonge was de enige die ons hielp'', zegt de internist plechtig. De anderen knikken instemmend. Dan stappen ook zij in de pick-up en enkele begeleidende auto's en rijden ze terug naar hun woonplaats Hillah, een wolk van stof achterlatend.

Executiemachine

Anderhalve maand na de val van Saddam Hussein is Irak nog in de ban van de dood. Je kunt op het ogenblik in Irak nauwelijks een stap zetten zonder op een muur van moskee of huis een fletse fotokopie te zien van een portret van een van de vermiste `martelaren', zoals ze hier worden genoemd. Of er staat weer ergens een tent in een straat waar mensen bij elkaar komen om een teruggevonden dode plechtig te herdenken. Bij moskeeën en kantoren van politieke partijen zijn hier en daar informatiepunten ingericht, waar mensen inlichtingen kunnen inwinnen over dierbare vermisten of juist tips kunnen geven over hun lot.

Jarenlang hebben honderdduizenden vergeefs gewacht op nieuws van verdwenen familieleden en vrienden. Het regime nam immers nooit de moeite verwanten in te lichten over het lot van hun gearresteerde familieleden, laat staan dat het vertelde waar hun laatste rustplaats was. En het was vrijwel onmogelijk om zelf op onderzoek uit te gaan. Als men al wist waar een massagraf was, dan was het streng verboden daar te kijken, laat staan daar te gaan graven.

De onzekerheid bleef knagen. Zaten dierbare vermisten alleen gevangen of waren ze terechtgesteld en lagen ze al sinds jaar en dag ergens onder de grond? Hoe langer er geen levensteken meer werd vernomen, hoe groter de zekerheid dat hij of zij nooit meer terug zou komen. ,,Wij hebben dingen meegemaakt die mensen in andere landen in de verste verte nooit hebben ervaren'', zegt Faisal Kadhim, een vrijwillger uit de zuidelijke stad Basra, die zich intensief bezighoudt met het opsporen van massagraven.

Nu, na 25 jaar terreur en intimidatie onder Saddam Hussein, hebben de Irakezen eindelijk de kans te zoeken naar hun doden. Maar waar te beginnen? En zelfs als er een massagraf is gevonden, hoe kan dan worden vastgesteld welke beenderen aan jouw zoon, jouw broer of jouw moeder toebehoorden? Zonder kleren of een identificatiebewijs is dat voor niet-deskundigen onbegonnen werk, al biedt een goed geconserveerde gouden kies soms uitkomst.

Niet alleen de sjiieten uit Zuid-Irak, ook de Koerden in het noorden hebben enorme aantallen vermoorde mannen en een kleiner aantal vrouwen te betreuren. Hoeveel precies weet niemand. De Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch schatte kort na de val van het bewind van Saddam dat er in totaal zo'n 200.000 Irakezen werden vermist. Irakezen zelf spreken, zonder veel concreet bewijs overigens, van 182.000 vermiste Koerden en 300.000 sjiieten. Weer anderen spreken – met nog minder bewijs – van miljoenen gedoden en vermisten.

De executiemachine van Saddam Hussein stond nooit stil. Wel zijn enkele golven van geweld te onderscheiden. Zo werden in 1988 tienduizenden Koerden gedood in verband met een opstand tegen Saddam Hussein. Onder hen waren duizenden gewone burgers die niets met de rebellie te maken hadden. In 1991 vielen er na een mislukte Koerdische opstand tegen de Iraakse leider opnieuw duizenden doden. Zo mogelijk nog gewelddadiger trad Saddam Hussein datzelfde jaar op tegen de sjiieten omdat zíj in opstand kwamen. Het resultaat was opnieuw een slachting met vele tienduizenden doden. In 1999 volgde er nogmaals een bescheidener golf van executies, alweer omdat Saddam Hussein enige opstandigheid meende te bespeuren bij de sjiieten.

Bijna dagelijks worden er nu in alle hoeken van het land nieuwe massagraven gevonden. Van afgelegen plaatsen in de woestijn tot midden in Kerbala, een andere heilige sjiitische stad. In Kerbala werd op een steenworp van het heiligdom van imam Hussein, de zoon van imam Ali, een graf met enige tientallen overschotten opgedolven.

Het grootste massagraf tot nu toe is een paar weken geleden gevonden bij Hillah, aan een grindweggetje tussen vruchtbare landerijen, met hier en daar een sierlijke palmboom. Een boer uit de buurt, die de slachting destijds had gezien, durfde eindelijk zijn verhaal te doen. Het graf bleek de overschotten te bevatten van ten minste 3.000 sjiieten die bij de opstand van 1991 waren opgepakt en vermoord. Er zijn aanwijzingen dat een deel van de slachtoffers er levend is begraven, zoals Saddam Hussein en zijn knechten regelmatig deden.

Bij het graf is het een komen en gaan van mensen, vooral vrouwen in hun traditionele zwarte abaja's, die op zoek zijn naar de laatste resten van zoons, broers of echtgenoten. Er zijn overigens ook enkele overschotten gevonden van vrouwen. Hun haar was nog niet geheel vergaan. Bij aankomst op de macabere plek gaan sommigen eerst kort bidden.

De plaats van het massagraf is met hulp van Amerikaanse bulldozers afgegraven. De geborgen overschotten zijn grotendeels in plastic zakken gestopt. Een deel ervan is geïdentificeerd door familieleden en weggevoerd voor een herbegrafenis, zoals in het geval van Mohammed Abdel Zaher.

Blinddoeken

Temidden van de zee van witte zakken met beenderen en schedels klinkt plotseling een hartverscheurende kreet. Een vrouw heeft zojuist de stoffelijke resten van een van haar zoons herkend. Ze zwaait woest met een identiteitskaart, nog net leesbaar, die bij het overschot werd gevonden. Ook een kledingstuk, gedeeltelijk vergaan, herkent ze als het zijne.

,,Oh, geef mij niet de schuld van je dood'', jammert ze. ,,Laat me huilen.'' Enkele andere vrouwen, die zelf ook naar de resten van dierbaren op zoek zijn, snellen toe om haar te te troosten. Een enkeling begint zelf zachtjes mee te huilen.

Omstanders vertellen dat de vrouw weduwe is en ook nog een tweede zoon mist. ,,Saddam Hussein zorgde er eerst voor dat haar man sneuvelde in de oorlog met Iran'', zegt een man. ,,en als dank liet hij vervolgens haar zoons oppakken en executeren.''

Thalida Abbas, ook weduwe, speurt al dagenlang in de brandende zon naar de resten van haar twee zoons. Ze haalt een vaalbruin lapje textiel te voorschijn. ,,Ik weet zeker dat dit van de kleding van een van mijn zoons afkomt'', zegt ze. De bijbehorende beenderen heeft ze nog niet gevonden. Dat het stukje stof even goed van de kleren van anderen afkomstig kan zijn, weigert ze te geloven.

Alsof het gisteren was, zo herinnert Thalida zich de dag dat haar beide zoons verdwenen. ,,Het gebeurde op 7 maart 1991. Ze werden zomaar op straat aangehouden en weggevoerd.'' Sindsdien staat ze er alleen voor, met haar schoondochter en haar zes kleinkinderen. Al die jaren bleef de onzekerheid omtrent het lot van haar beide zoons aan haar knagen.

Het zijn vaak uitgerekend Saddams beulen die de zoekenden soms, al dan niet opzettelijk, een handje helpen. Zo vonden mensen in een gevangenis van een van de veiligheidsdiensten in de zuidelijke stad Basra, waar martelingen aan de orde van de dag waren, zes lijsten met de namen van 190 geëxecuteerde sjiieten. Het ging om mensen die betrokken zouden zijn geweest bij de kleinere opstand tegen Saddam Hussein in 1999.

Min of meer tegelijkertijd onthulde een medewerker van Saddams Baath-partij dat er een massagraf bestond in de woestijn, zo'n 30 kilometer ten zuiden van Basra. Zijn informatie bleek te kloppen. Er werden 33 overschotten aangetroffen, waarvan er inmiddels 17 zijn geidentificeerd. Ze bleken allemaal op de gevonden lijst te staan.

In de winderige woestijnvlakte liggen nog enkele halfvergane blinddoeken, wat synthetisch touw waarmee ze geboeid waren, en een eveneens halfvergaan jasje met enkele gaten erin. Naast de 33 weer dichtgegooide graven doet Faisal Kadhim, de vrijwilliger uit Basra die helpt bij het traceren van de doden in de massagraven, voor hoe het gebeurde. Hij knielt in het zand en laat een man zijn vinger in zijn nek leggen. ,,Saddam sprak van het genadeschot'', zegt Kadhim smalend. ,,In werkelijkheid was moorden en begraven zijn motto.''

De 33 geëxecuteerden waren vooral volgelingen van de door sjiieten zeer gerespecteerde geestelijke ayatollah Muhammad Sadiq al-Sadr, die in 1999 zelf door Saddam Hussein werd vermoord. Ze werden volgens Kadhim gedood op gezag van niemand minder dan Ali Hasssan al-Majid. Hij had als bijnaam Ali Chemicali, wegens zijn bereidheid om chemische wapens in te zetten tegen zijn tegenstanders. Al-Majid zelf is, naar wordt aangenomen, begin april van dit jaar bij een bombardement in Basra om het leven gekomen. De overschotten van de overige 157 van de lijsten met 190 namen zijn nog spoorloos.

De volgende dag willen Kadhim en enige metgezellen even verderop opnieuw graven naar doden. Een nomade uit de buurt zegt dat hij in 1999 ook daar mensen begraven zag worden. Probleem is dat er vermoedelijk ook landmijnen op die plek liggen. Kadhim en zijn mensen hopen daarom op steun van de Britse militairen, die het gebied rond Basra controleren. Erg veel hoop heeft hij niet, want een eerder verzoek om hulp bij een gevaarlijk massagraf in Basra leidde volgens Kadhim tot geen enkele reactie van de Britten.

De Britse commandant in Basra, luitenant-kolonel Mike Riddel Webster, noemt dat ,,een oneerlijke beschuldiging''. Hij zegt best bereid te zijn hulp te verlenen. Eenmaal hebben ze dat ook al gedaan, alleen bleek het toen uiteindelijk om een vruchteloze exercitie te gaan, want er was op de betreffende plek geen massagraf. Maar hij wijst er wel op dat de Britten maar met weinig mensen zijn en dat er ook verder veel problemen zijn op te lossen. ,,Je zou misschien kunnen zeggen dat we ons meer om de levenden dan om de doden bekommeren'', erkent hij.

Ook de Amerikanen krijgen vaak de beschuldiging naar het hoofd geslingerd dat ze onvoldoende aandacht voor de massagraven hebben. En niet alleen van Iraakse zijde. Ook de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch heeft hevige kritiek op de Amerikaanse legerautoriteiten. ,,Het is schandelijk dat de Amerikanen en de Britten niet meer hebben gedaan om de massagraven veilig te stellen'', zegt Saman Zia-Zarifi van Human Rights Watch. ,,Het is hun plicht als bezettende mogendheden om te voorkomen dat die graven door ondeskundige mensen worden leeggehaald. Daardoor gaat er heel veel informatie verloren, die anders zou kunnen worden gebruikt in processen tegen Iraakse leiders.'' Kritiek die ook klonk uit de mond van de hoge VN-commissaris voor de Mensenrechten, de Braziliaan Sergio Vieira de Mello. ,,Als de coalitietroepen in Irak niet snel maatregelen nemen, gaan bewijzen verloren die moeten aantonen dat de mensenrechten hier op grove wijze zijn geschonden.''

Volgens Human Rights Watch werden de Amerikanen al een paar weken voor de vondst van het massagraf bij Hillah hierover getipt. Ze verzuimden het gebied af te zetten, waardoor forensische deskundigen de overblijfselen nu niet grondig en rustig konden onderzoeken. In plaats daarvan stelden de Amerikanen na enige tijd bulldozers beschikbaar aan de mensen ter plaatse, die tot dan vaak met hun handen hadden gegraven. De Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld verweerde zich tegen de kritiek van Human Rights Watch met de vraag: ,,Wat moeten we doen? Zou u liever een politieman in Bagdad zien of iemand die die graven bewaakt?''

Sindsdien zijn de Amerikanen iets toeschietelijker geworden. Ze zijn een voorlichtingscampagne begonnen om de bevolking te wijzen op het belang van zorgvuldigheid bij het opgraven van de doden. Ook de Britse premier Blair, die afgelopen week Basra bezocht, heeft het belang onderstreept van het bewaren van bewijsmateriaal in verband met eventuele processen naderhand.

De Irakezen zelf tonen tot dusverre weinig begrip voor zulke buitenlandse pressie. Het argument dat zijzelf voor de identificatie van hun doden wellicht ook baat kunnen hebben bij een zorgvuldig onderzoek door deskundigen met bij voorbeeld DNA-technieken, maakt geen indruk op hen. Hun voornaamste zorg is, na al die jaren van wachten, zo snel mogelijk hun geliefden te vinden en ze een fatsoenlijke herbegrafenis te geven. Ze zien dat niet alleen als een morele en religieuze plicht. Door hun dierbaren uit de anonimiteit van een massagraf te redden, maken ze ook iets ongedaan van wat Saddam Hussein en zijn regime hun bewust hebben aangedaan. Zo nemen veel Irakezen alsnog een beetje wraak op Saddam Hussein.