`Wat meer moed had veel joodse kinderen kunnen redden'

Johan van Hulst, CDA-politicus van hervormde huize, redde in de Tweede Wereldoorlog joodse kinderen in Amsterdam uit handen van de Duitsers. Zijn geloof was hierbij onmisbaar. `Als het moment daar is, staat God bij ons maar hij redt er ons niet altijd uit.'

`Realiseert u zich waarom het mij ontroert u dat u hier tegenover mij zit?'

Professor dr. Johan van Hulst, voormalig verzetsman, CDA-politicus en emeritus hoogleraar wijsgerige en historische pedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, heeft mij op bezoek gevraagd om te praten over het oorlogstrauma en de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in protestants-christelijke kring. Daarover schreef ik een boek, Erkenning – Van oorlogstrauma naar traumacultuur. In zijn werkkamer staat naast een flinke pot thee en twee mokkagebakjes een zilverkleurige overwinningsbeker klaar. J.W. van Hulst staat erin gegraveerd.

,,In 1926 deed ik als vijftienjarige jongen uit de Jordaan mee aan een door de christelijke krant De Amsterdammer georganiseerde probleemschaakcompetitie. Ik had alle opgaven goed en won. Tweede werd J.J. Withuis uit Zutphen, toen al een beroemd probleemcomponist. Dus toen ik in 1980 als fractievoorzitter van de CHU in de Eerste Kamer meedeed aan de jaarlijkse parlementariërswedstrijd van het Hoogovenschaaktoernooi, en daar uw vader aantrof, de schaakjournalist, vroeg ik hem of hij die J.J. Withuis kende. Dat was zijn vader geweest. Jong gestorven, hoewel hij mij in 1926 natuurlijk een oude man leek. Ik ben in maart weer naar het Hoogoventoernooi geweest. Voor de vierentwintigste keer. We waren er weer allemaal: Bas de Gaay Fortman, Jan Nagel, Henk Vonhoff. Goede schakers. Ik werd samen met Gerrit Valk (PvdA) gedeelde eerste. Dat is goed voor je zelfgevoel. Dat je nog meetelt. Ik heb in al die jaren maar eenmaal moeten overslaan. Met uw vader heb ik contact gehouden. Ik ben vaak bevrind geweest met linkse mensen, maar dat uw vader communist was en voor De Waarheid had gewerkt, dat wist ik natuurlijk niet. Dat hoorde ik van Marcus Bakker. De gang van gereformeerd naar communist heb ik in mijn leven wel vaker gezien. Voor beiden geldt dat ze dogmatisch en rechtlijnig zijn ingesteld. Zowel het calvinisme als het communisme kent dat rücksichtslose zich inzetten en opofferen. Met gevaar voor eigen leven. Er zijn in de oorlog dan ook meer gereformeerde dan hervormde predikanten omgekomen. Hervormd was absoluut niet gereformeerd. Hervormden hebben een minder calvinistisch karakter. Wel heeft mij het roepingsbesef door God op die plaats gezet te zijn, moed en kracht gegeven.''

Johan van Hulst, in januari 92 jaar geworden, constateert tijdens het gesprek enige malen met tevredenheid dat hij ,,een boeiend leven'' heeft gehad. Zijn politieke en wetenschappelijke loopbaan vielen precies in de roerige jaren '60 en '70. Hij wijst op een schilderij aan de muur van zijn Amsterdamse flat: het Zuid-Hollandse stadje Oudewater.

,,Daar ben ik begonnen. Als achttienjarig onderwijzer. Ik wilde het huis uit. Mijn vader was meubelstoffeerder. Hij zei: `Dan moet je voor jezelf zorgen', en dat heb ik vanaf toen tot op de dag van vandaag gedaan. Het was een streng hervormd gezin. Zuinig, rechtschapen, hulpvaardig. Seksualiteit kwam in de opvoeding niet ter sprake. Toen ik een jaar of elf was kreeg ik een zusje. Ik had mijn moeder steeds dikker zien worden, maar niet begrepen wat daarvan de oorzaak was. Toen de geboorte naderde, werden wij uit logeren gestuurd en toen we terugkwamen was er een baby. In mijn latere loopbaan heb ik gepleit voor seksuele opvoeding. Let wel: dat is iets anders dan technische voorlichting. Met samenwonen, zoals mijn kleinkinderen nu doen, heb ik geen moeite. Principes veranderen.''

De weg van de Jordaan tot het hoogleraarschap waarop hij ,,tot zijn 52ste moest wachten'', was lang. Eerst MULO en kweekschool, een combinatie die voor de oorlog een toegangsroute vormde tot een hogere opleiding voor wie niet rijk genoeg was voor HBS of gymnasium. Daarna in de avonduren de MO-akte Nederlands, en na de bevrijding de universitaire studie pedagogie. Van Hulst promoveerde bij de bekende VU-pedagoog Waterink, die hij ook opvolgde als hoogleraar.

In de oorlog was Van Hulst als directeur van de Hervormde Kweekschool aan de Plantage Middenlaan betrokken bij het verzet. De school lag pal tegenover de Hollandsche Schouwburg vanwaaruit de Duitsers de daar samengedreven joden deporteerden. Naast de school was de oude crèche uit de Jodenbuurt, waarin de Duitsers de voor deportatie bestemde baby's en peuters onderbrachten.

Baby over de heg

,,Het begon ermee dat de directrice, mevrouw Pimentel, toen de crèche overvol raakte, vroeg of ze wat kinderen over de heg mocht aangeven om in onze tuin te slapen te leggen. Daarna, toen er nog meer kinderen kwamen doordat het aantal transporten verminderde, zetten we wat bedjes in een klaslokaal.''

Het `kinderwerk' van een aantal verzetsgroepen was toen al in volle gang. Jonge vrouwen als Hester van Lennep, Gisela Söhnlein en Hetty Voûte sleepten in rugzakjes en waszakken de kinderen onder de ogen van hun vervolgers de crèche uit, waarna ze op onderduikadressen elders in het land in veiligheid werden gebracht. Eerst direct vanuit de crèche, daarna ook via de kweekschool. Dat moest overdag, want de kinderen overnachtten in de crèche. Van Hulst stond op de uitkijk, de conciërge, die op de hoogte was, deed open. Loe de Jong schat dat er in totaal zo'n duizend kinderen via de crèche zijn gered, van wie honderden via de school. Van Hulst vindt het moeilijk een aantal te schatten.

,,Bij de eindexamens kwamen rijksgecommitteerden. In 1943 was een van onze gecommitteerden dr. Gesina van der Molen, later hoogleraar Volkenrecht aan de VU. Ik kende haar toen nog niet. Ze was van de groep rond de verzetskrant Trouw, maar dat hoorde ik pas na de oorlog. Tijdens het examen begon een kind te huilen en dat stak prompt de anderen aan. Van der Molen ging kijken. Ze begreep onmiddellijk dat dit joodse kinderen waren en zei: `Nu begrijp ik waarom God mij hier geleid heeft.' Toen de examenweken voorbij waren, had ze zo'n dertien kinderen meegenomen. Van toen af aan was er een geregeld contact tussen crèche en kweekschool. De laatste dag van de crèche, najaar 1943, kwam het hoofd van de Sicherheitsdienst Aus der Fünten zelf. Hij trof nog zo'n tachtig, negentig kinderen aan. Vloekend en tierend van woede beval hij dat ze de volgende dag allemaal moesten worden gedeporteerd. We hadden dat getraineerd. Elke dag uitstel was er een.

,,Directrice Pimentel was toen al weggevoerd. Virrie Cohen, haar opvolgster, kwam naar me toe. De hemel beware u voor zo'n moment. We hebben er twaalf uitgepikt. Achteraf denk je: waarom geen dertien? De kinderen wisten hoe het ervoor stond. De grootsten heb ik gevraagd: weet je een adres? Ga, zoek onderdak. Die keuze... Dan dacht ik bijvoorbeeld: `Dat kind heeft uitslag. Die raak ik misschien niet kwijt.' Ik kan u in vertrouwen wel zeggen: nu ik ouder word, lopen de tranen me soms over de wangen als ik een schoolklas zie. Dan zie ik ze weer gaan. Ik heb elke dag gezien hoe de joodse kinderen in lijn 9 werden afgevoerd naar het Muiderpoortstation. Ik heb gezien hoe ze het joodse blindeninstituut leeghaalden en erbij stonden te lachen als ze die doodsbange blinde mensen dwongen van de laadklep van een vrachtwagen te springen. Ik maakte me geen illusies. Ik kende Mein Kampf en daaruit blijkt duidelijk dat vernietiging het doel was.''

Bloed en modder

,,De Duitsers hebben al die tijd geen vermoeden gehad van mijn rol. Maar op 14 april 1945 ben ik bij verstek ter dood veroordeeld – de verjaardag van mijn oudste dochter. Ik was de hele oorlog goede buren geweest met de Duitsers, zodat ze geen argwaan kregen; ik baste bijvoorbeeld mijn leerlingen naar binnen als die keken wat er gebeurde. Maar op het laatst kregen ze het door. Een jonge vrouw kwam waarschuwen dat ik moest wegwezen. Toen het arrestatieteam me kwam halen, was ik ondergedoken. Dat waren de angstigste weken van mijn leven. Dat je in het zicht van de overwinning toch nog het loodje zou leggen. Ik had een vrouw en twee dochtertjes, vier en zes jaar oud. Je dacht: hoe zouden mijn kinderen dat later vinden. `Had vader niet meer aan ons kunnen denken?' Als pedagoog heb ik na de oorlog veel problemen gezien in gezinnen waar de vader uit gevangenschap was teruggekeerd. Gelukkig deden de Duitsers in die laatste weken niet zo heel veel moeite meer om je te vinden.

,,Er waren wel eerder angstige momenten geweest. Eenmaal ben ik met de tram meegeweest met een studente met een kind in een rugzak. Bij die ene keer is het gelukkig gebleven. Toen ik in de jaren '60 college gaf, kende niemand het woord trauma. Daar wist men toen niets van. Ik moest het uitleggen. Ik heb toen gezegd: het is als een film waarvan begin en einde aan elkaar zijn gelast. Die dus almaar doordraait, zonder dat je de beelden kunt stoppen. Zelf realiseerde ik me direct tijdens de bezetting, doordat ik al veel psychologie had gelezen en verhalen over de Boerenoorlog kende, dat je aan zulke angstige belevenissen psychische schade kon overhouden. Ik heb me gepantserd. Ik heb bewust gedacht: ik draag nu met bloed en modder besmeurde kleren en zodra het voorbij is, leg ik die af en doe ik frisse, schone kleren aan. En ik had mijn geloof. Zonder dat had ik het niet gered.

,,Kent u het bijbelverhaal van Esther? Esther gebruikte haar positie als koningin om de joden te redden. Dat verhaal hield ik mij ten voorbeeld. Ik heb dat werk niet gezocht. Toevallig deed zich die gelegenheid voor. Kennelijk was ik door God op die plaats gezet om die kinderen te helpen. Er hebben er hun geloof verloren die in de dodencel zaten en toen niet door God werden bevrijd. Maar we mogen onze schurkenstreken niet op God schuiven. De jodenmoord was mensenwerk. Als gelovige mens dien je je te realiseren dat als het moment daar is, God bij ons staat maar niet altijd ons eruit redt. Ook bij dodelijke ziektes: God geneest niet maar houdt je hand vast. Gebedsverhoring is het ontvangen van de kracht om de last der niet-verhoorde gebeden te dragen. Mij gaf het geloof psychische bescherming. Dat je doorgaat met wat op je weg komt. Ik ben na de oorlog nooit lid geworden van een oud-verzetsorganisatie. We spraken er de eerste jaren ook nooit over. Het was een afgesloten periode. Gebeurd. We hadden veel gedaan en nog veel meer niet gedaan van wat we hadden moeten doen. Met wat meer moed hadden we veel meer joodse kinderen kunnen redden. Als één op elke honderd Nederlanders zich over een jood had ontfermd, was er geen jood weggevoerd.''

In 1990 publiceerde Van Hulst een boekje, Kerkelijk antisemitisme, waarin hij zich verzet tegen een cultuurrelativistische visie op antisemitische uitspraken en uitdrukkingen. Antisemitisme noemt hij daarin een `zonde'.

,,In de jaren dertig waren er een paar hervormde dominees die vol overtuiging kozen voor het nationaal-socialisme. Er werd tegen die dominees geprotesteerd. Kerkleden schreven ingezonden stukken. Dat debat leefde.''

Gedurende een kwart eeuw, van 1956 tot 1981 (,,Pensioen met 65 jaar is een domme maatregel. Ik zou nu nog wel in het parlement willen zitten!'') was Van Hulst fractievoorzitter in de Eerste Kamer van eerst de CHU, vervolgens het CDA en daarnaast van 1961 tot 1970 lid van het Europees Parlement. (,,Ik was geen beroepspoliticus. Ik deed het erbij.'') In die periode deden zich diverse kwesties voor rond de Tweede Wereldoorlog. In 1966 keerde Van Hulst zich tegen het regeringsvoorstel om de oorlogsmisdadiger Willy Lages vrij te laten.

,,Ze hadden moeten worden doodgeschoten. Dat heeft Juliana verhinderd. Ik ben in het algemeen niet voor de doodstraf, maar in dit geval wel. Niet uit wraakgevoelens, maar om de jeugd. Wat stel je voor een voorbeeld als je deze misdadigers vrijlaat? Dat het kennelijk zo erg niet is wat zij hebben gedaan. Mijn gevoelens als verzetsman heb ik in het debat niet gebruikt. Particuliere emoties horen niet in 's lands vergaderzaal. In 1972 was ik het ook oneens met de vrijlating van de Drie van Breda. Ik had sterk de indruk dat voor Van Agt het katholieke geloof van de gevangenen een rol speelde. Het roomse bloed kruipt waar het niet gaan kan.''

Ook de affaire-Aantjes maakte hij mee. ,,Je had ook toen een torentjesoverleg! De premier en de beide CDA-fractievoorzitters – Van Agt, Aantjes en ik – wij regeerden het land. Dat klinkt me als ik dat nu zeg, erg arrogant in de oren. Maar goed: Aantjes. Wat heb ik me door hem bedrogen gevoeld. Bedonderd zelfs. Daar zaten we dan: hij als fractievoorzitter en ik als fractievoorzitter. Ik heb het hem aanvankelijk hoogst kwalijk genomen, maar het is niet aan mij om hem vanuit de hoogte te beoordelen. Loe de Jong heeft het gemeen aangepakt: aanklager, rechter en beul tegelijk. Ik had altijd al gedacht dat er iets mis was. Aantjes weigerde indertijd om minister te worden, zogenaamd wegens gezondheidsredenen. Maar fractievoorzitter is een veel zwaardere baan dan minister. Dus dat klopte al niet. Ik heb mij toen tot Tweede-Kamerlid Roelof Kruisinga (CHU/CDA) gewend en hem gevraagd hoe dit kon. Deze zei toen tegen mij: `Het rechte weet ik er niet van, maar het schijnt dat zijn oorlogsverleden niet geheel zuiver is geweest.' Ik reageerde toen: `Aantjes heeft in zijn blik iets schichtigs. Hij kijkt soms over zijn schouder heen of hij wordt achtervolgd.' Maar dit! Aantjes erkent wel dat hij feiten heeft verzwegen, maar hij voelt zich uiterst onrechtvaardig behandeld. Vandaar dat hij zich zonder schaamte overal vertoont en soms zijn mening ventileert over de actuele politiek.''

,,Loe de Jong is vooringenomen, bepaald geen vriend van de CHU. Als hij schrijft over de crèche, kan hij natuurlijk niet om mijn activiteiten heen. Maar nogal versluierd, zonder mijn naam te noemen, heeft hij het over de toenmalige directeur van de Hervormde Kweekschool. Zwakker kan hij het niet uitdrukken. Dat is opzet, politiek. Volgens De Jong kan een CHU-man blijkbaar geen echte verzetsman zijn. Die houding dat alleen de gereformeerden goed waren, heb ik ook wel gevoeld van AR-zijde. De CHU was geen partij maar een unie, met eigenzinnige mensen. Toen de CHU opging in het CDA, heb ik geëist dat ik mijn eigen weg kon blijven gaan. Ook als Europarlementariër.''

Na de oorlog bemoeide Van Hulst zich intensief met de onderwijsvernieuwing. ,,Ik ben een warm voorstander van het bijzonder onderwijs maar geen tegenstander van openbare scholen, want een kind moet zich veilig voelen en een kind uit een atheïstisch milieu krijgt op een christelijke school toch het geloof voorgehouden, dus dat is onveilig.''

,,Tegenover Diepenhorst, de AR-minister en rector magnificus van de VU, heb ik het in 1966 opgenomen voor de studenten. Die hadden in het geheel geen rechten. Iemand zei: jij zult het aan de universiteit wel moeilijk hebben. Dacht zeker dat zo'n CHU'er een watje was. Maar ik kon goed met die jonge mensen omgaan. Ik heb mee moeten maken dat de studenten met bekertjes koffie de collegezaal in kwamen of boterhammen zaten te eten. Ze wilden een marxistische literatuurlijst. Bovenaan prijkte Adorno – hadden ze niet gelezen natuurlijk, want dat is een pil van vijfhonderd pagina's. Ik zei: `Goed, we nemen beide lijsten.' Dat was niet de bedoeling. Ik zei: `Jullie zijn toch niet bang voor een beetje hard werken?' Ik heb mij er steeds tegen gekeerd, dat de pedagogiek een steriele wetenschap zou worden. Mijn colleges hadden een band met de praktijk. Mijn opvolger koos voor een meer wetenschapstheoretische benadering. Door mijn dertig jaar onderwijservaring wist ik hoe je met de jongelui moest omgaan. Tijdens zo'n bezetting van ons instituut gaf ik eens een schaaksimultaan. Dat is me door de collega's kwalijk genomen. Jaloezie. Het is fijn als je aan de goede kant van de jaloezie staat.''