Van pokhout tot castorboon

Planten voor dagelijks gebruik hebben elk hun eigen verhaal. De Leidse botanicus Kees Kalkman verzamelde ze. Postuum is zijn boek verschenen.

Drie leuke weetjes voor wie aan tafel de conversatie aan de gang moet houden.

Van abacávezels of manillahennep worden theezakjes gemaakt; papier zou voor dat doel gauw te papperig worden. Manillahennep komt van een bepaalde bananensoort (Musa texilis) – manillahennep heeft dus niets met hennep te maken. Touw gemaakt van manillahennep kan goed tegen langdurige onderdompeling in water. Nog niet zo lang geleden werden er scheepstrossen van gemaakt.

Chinees rijstpapier, waarvan lampions en lampenkappen worden vervaardigd, heeft niets met rijst te maken. Het wordt gemaakt door stammen van Tetrapanax papyriferus dun te versnijden. Het is een boompje uit de klimopfamilie. De soort is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-China, maar wordt ook veel in Japan gekweekt.

Sambal wordt gemaakt van de gemalen vruchten van Spaanse peper (Capsicum frutenses). Het geslacht Capsicum, dat ook paprika's omvat, komt geheel uit Amerika. Hoewel sambal een onlosmakelijk onderdeel vormt van de Indonesische keuken, is de Spaanse peper er door de Nederlanders gebracht. De Spaanse peper heeft niets met peper te maken. Het woord `Spaans' komt van de Spanjaarden, die de plant als eersten naar Europa brachten vanuit Amerika.

Ziezo. Dat is het voordeel van de praktisch ingestelde botanicus: toepassingen van planten zijn overal wel te vinden. En heel vaak zit het verhaal achter een plant anders in elkaar dan je zou denken.

Kees Kalkman (1928-1998), de voormalige hoogleraar-directeur van het Rijksherbarium in Leiden, verzorgde jarenlang het door studenten zeer gewaardeerde college `Economische botanie', de botanie achter de economisch belangrijke gewassen. Het Rijksherbarium heeft altijd als hoofdonderwerp gehad de flora van het Maleisische gebied, een erfenis uit de koloniale tijd. Botanici van het Leidse Rijksherbarium, thans na een gedwongen fusie met het Wageningense equivalent het `Nationaal Herbarium Nederland' geheten, zijn dus altijd tropenkenners geweest. Omdat de tropen veruit de meeste plantensoorten herbergen, was de blik altijd wereldwijd.

Na zijn emeritaat in 1991 besloot Kalkman zijn college om te werken tot een boek voor een breed publiek. Maar Kalkman overleed voordat zijn boek gereed was. De medewerkers van het Rijksherbarium troffen een manuscript aan dat een zeer lijvig boek zou opleveren – niet direct een boek voor een breed publiek. Wel had Kalkman gezorgd voor talloze illustraties. Maar om de kosten van het boek te drukken had Kalkman gekozen voor zwartwit – Kalkman gold niet alleen als een zeer beminnelijk mens, maar hij was ook zeer bescheiden en zuinig. Hij meende er goed aan te doen om de kosten voor het boek laag te houden; veel illustraties had hij zelf getekend.

Maar net zoals de tekstverwerker waarmee Kalkman zijn boek getikt had, niet meer van deze tijd was, zo was zijn opvatting over kleur en zwartwit dat, verklaarden Marijke Nauta en Ruud van der Meijden, twee medewerkers van het Nationaal Herbarium die het manuscript van Kalkman omwerkten tot het boek `Planten voor dagelijks gebruik – botanische achtergronden en toepassingen'. Zij kortten de tekst aanzienlijk in, zochten er kleurenillustraties bij en brachten de tekst up to date, met moderne gegevens en verwijzingen. De hoofdauteur bleef Kees Kalkman, al is het boek ook op te vatten als een eerbewijs aan hem.

`Planten voor dagelijks gebruik' is eerder een encyclopedie dan een boek met een lopende tekst. Van alle in Nederland bekende gebruiksgewassen is de botanische achtergrond beschreven: van pokhout (zeer zwaar donker hout dat werd gebruikt voor machineonderdelen en schroefassen) tot balsahout (licht hout voor zweefvliegtuigen en sandwichlaag van scheepsdekken), van bataat (zoete aardappel, afkomstig uit Zuid-Amerika en nu vooral veel gegeten in tropisch en subtropisch Azië) tot de castorboon (de leverancier van Ricinus- of wonderolie, maar ook van het krachtige `terroristengif' ricine). Dat maakt dat niet alleen de culinair geïnteresseerde allerlei feiten aan de weet komt, maar ook de houtman en de farmaceut. Wie een blik werpt op de inhoudsopgave ziet onmiddellijk de breedte van het boek: zetmeelplanten, eiwitplanten, olieplanten, smakelijke planten, psychoactieve planten, geneeskrachtige planten (hier heeft Kalkman niet veel mee op), constructieplanten (hout, rotan en bamboe), vezelplanten, brandstofplanten, planten voor rubber, harsen, gommen en was, verf- en looiplanten, geurplanten, parasieten en onkruiden.

Kalkman heeft vooral onderzoek gedaan naar de plaats van het cultuurgewas te midden van zijn wilde verwanten. Wat is het oorsprongsgebied? Door wie is het gewas veredeld? Voor de biologische leek zal de bij vrijwel iedere economisch belangrijke plant gegeven ploïdie-verwachtschappen niet makkelijk te volgen zijn. Veel cultuurgewassen zijn polyploïden (waarbij de chromosoomset vermeervoudigd is) of hybriden (waarbij de chromosoomset van twee verschillende soorten samengaan tot een nieuwe soort). Alle moeilijke termen worden in een verklarende woordenlijst uitgelegd wie echt wil kan alles volgen.

Een van de opmerkelijkste feiten uit het boek is het gegeven dat de belangrijke voedingsgewassen allemaal uit prehistorische tijden stammen. Je zou verwachten dat sinds de tijden van Linnaeus er een continue stroom nieuwe eetbare planten zouden zijn ontdekt. Dat is ook wel zo, maar ze spelen geen rol van belang. Het stapelvoedsel waar de mensheid van leeft, wordt geleverd door slechts twintig plantensoorten, vooral door granen.

Veruit het belangrijkste zijn tegenwoordig rijst en tarwe. Die volledige dominantie bestaat nog niet zo lang. Neem als voorbeeld Nederland. In 1975 werd er naast 106.900 hectare tarwe ook nog 83.200 hectare gerst geteeld, 18.200 hectare rogge en 34.300 hectare haver. In 2000 was dat 138.000 tarwe, 47.500 hectare gerst, 5.800 hectare rogge en 2.400 hectare haver. Kalkman schrijft dan ook: ``Gezien de afname in de verbouw [van haver] moeten er zo langzamerhand veel mensen zijn, die in Nederland nog nooit een haverveld hebben gezien.'' Hij schrijft het er niet bij, maar iedereen die wel eens de wind golven in een haverveld heeft zien blazen, weet dat hij deze zin met onmiskenbare spijt moet hebben getikt op zijn ouderwets geworden tekstverwerker.

Het boek `Planten voor dagelijks gebruik' kwam toevalligerwijs twee weken uit na het verschijnen van het laatste deel van de 32-delige wetenschappelijke serie Prosea (Plant Resources of Southeast Asia). Deze serie gaat over precies hetzelfde, maar is bedoeld voor specialisten en blijft beperkt tot planten uit Zuidoost-Azië. Het was dan ook niet toevallig dat de stuwende kracht achter Prosea, dr. J.S. Siemonsma uit Wageningen, bij de presentatie van Kalkmans boek een inleiding gaf. `Planten voor dagelijks gebruik' vormden de krenten uit de pap van de zware wetenschappelijke series. Deze kennissynthese zou het begin zijn van een `gouden eeuw' van de botanie. Niet voor Nederland dan, vervolgde hij met enige bitterheid, want Prosea was geschreven door de `laatsten der Mohikanen', net zoals ook Kalkmans boek postuum verschenen is. De studierichting `tropische botanie' is inmiddels opgeheven.

En inderdaad, de klassieke biologie, de kennis van planten- en diersoorten, is de laatste twintig jaar sterk op de terugtocht, weggedrukt door DNA-techniek en biotechnologie. Hortussen worden publieksparken, herbaria moeten fuseren. En dat is jammer, want daardoor verdwijnt de levende, specialistische kennis van plantensoorten die de maatschappij nodig heeft – al was het maar om de douaneambtenaar, de houthandelaar of de specerijenimporteur precies te kunnen vertellen hoe die wonderlijke plant die hij nu heeft precies heet en waar hij vandaan komt.

Planten voor dagelijks gebruik – botanische achtergronden en toepassingen. C. Kalkman. Geredigeerd door M.M. Nauta en R. van der Meijden. KNNV-uitgeverij, Utrecht. 2003. 352 blz., geïll. Prijs €44,95. ISBN 9050111599