Terug bij af

De telecomsector maakt weer winst. De topmannen zijn zuinige technocraten die applaus krijgen van hun aandeelhouders, die nu hoop hebben op dividend. Het vertrouwen is terug – maar hoe lang zal de euforie duren? Is de echte groei al voorbij?

Zij zijn er niet meer, de ambitieuze telecombazen die over mobiele telefoontjes praten alsof het goudstaafjes zijn. Die gedurfde overnames doen, voor wie geen grenzen bestaan, die hun hand voor een paar miljard niet omdraaien, die miljardenschulden maken. Ze hebben het veld geruimd voor zuinige technocraten. Zuinig met de centen, zuinig met de mond. Topmannen als Ad Scheepbouwer van KPN en Kai-Uwe Ricke van Deutsche Telekom, die het lekkerst in hun vel zitten als ze over cashflow praten en aan mooie vergezichten een broertje dood hebben. Geen luchtspiegelingen meer, maar beide benen op de grond.

Het gaat beter met de zo hard gevallen telecomsector. De aandelenkoersen stijgen, er wordt weer winst gemaakt. Dat kan maar één ding betekenen: het `omkeren' begint vruchten af te werpen. Kai-Uwe Ricke kreeg vorige week in Keulen van zijn aandeelhouders applaus. Het gejoel en gefluit dat zijn voorganger Ron Sommer vorig jaar voor zijn kiezen kreeg, bleef achterwege. Ad Scheepbouwer werd begin dit jaar uitgeroepen tot manager van het jaar 2002.

De voortekenen zijn gunstig. Deutsche Telekom heeft in de eerste drie maanden nettowinst geboekt – voor het eerst in twee jaar. France Telecom is door een mega-emissie 15 miljard euro rijker, door de internationale kredietbeoordelaar Moody's opgewaardeerd en op de weg terug. KPN zal dit jaar naar verwachting op een gezonde nettowinst uitkomen. Er wordt zelfs weer over dividendbetaling aan aandeelhouders gesproken. De ommekeer heeft de afgelopen maanden geleid tot hogere koersen. De telecomfondsen presteren vaak zelfs beter dan de indexen waarvan ze deel uit maken (zie grafieken).

,,Er is licht aan het einde van de tunnel'', zegt Rob Schuyt van adviesbureau Booz Allen. ,,Managers werden de afgelopen jaren volledig in beslag genomen door het uitwerpen van reddingsboeien en het binnenhalen van drenkelingen. Nu zie je ze terugkeren naar de stuurhut.'' Partner Jérôme Koelewijn van Roland Berger Strategy Consultants zegt: ,,Er was een groot gebrek aan vertrouwen, vooral ook omdat bedrijven simpelweg dreigden te verdwijnen. Dat is nu voorbij.''

De ommekeer is gelukt, maar vinden de telecombedrijven de weg terug omhoog? Al dit jaar omhoog? En met succes omhoog? Lukas Daalder, analist bij zakenbank Oyens & Van Eeghen, is pessimistisch. ,,De sector krabbelt wel wat op, maar de euforie zal van korte duur zijn.'' Dat komt, zegt Daalder, door UMTS – een technologie die internet op het mobieltje mogelijk maakt. Op de roemruchte telecomveilingen in 2000 zijn vele miljarden neergeteld voor de aanschaf van UMTS-vergunningen. Maar op dit moment zijn er al goedkopere technologieën beschikbaar. Weinig telecomconcerns durven een geheel nieuwe weg in te slaan, laat staan dat zij dit financieel zouden kunnen bolwerken. Ze zitten voorlopig met UMTS opgescheept.

Ook Koelewijn ziet dit jaar nog geen weg omhoog. ,,Wordt 2003 het jaar van de waarheid? Nee. Daarvoor is meer tijd nodig.'' Maar: ,,Er zal dit jaar wel weer een echt fundament onder de sector worden neergelegd.'' Schuyt sluit zich hierbij aan: ,,De financiële slagkracht van bedrijven is nog steeds beperkt. Zelfs met een herstelde balans is het moeilijk om financiers te vinden voor nieuwe projecten. Bankiers hebben een lang geheugen als het op dit soort zaken aankomt.''

Het millenniumjaar 2000 zal niet alleen bankiers, maar iedereen in de telecomsector nog lang heugen. Aan het begin van dat jaar bereikte de sector z'n hoogtepunt. Europa had, zo viel destijds vaak te beluisteren, een royale voorsprong op de Verenigde Staten gekregen: nergens werd zoveel mobiel gebeld als in Europa. De privatisering van de Europese staatstelecombedrijven, waarmee in de jaren negentig de hele sector werd losgewoeld, was een succes zonder weerga.

Alleen Japan was nog verder: met mobiel internetten, waarvoor het een eigen, succesvolle techniek had ontwikkeld. Europa ging daarop de Japanse uitdaging aan. Met UMTS, de nieuwste techniek voor mobiel internetten, die wereldwijd de standaard zou worden en waarmee Japan al begonnen was. Europa wilde op zijn beurt met UMTS zowel de VS als Japan overtreffen.

Nationale overheden in Europa organiseerden veilingen voor de UMTS-licenties, want daarmee viel geld te verdienen, veel geld, waarmee zij hun begrotingstekorten konden bestrijden. De ambitieuze telecombedrijven betaalden gretig, en draaiden daarmee tegelijk hun eigen toekomst de nek om. Toen ze dat beseften was Europa al verliezer geworden. Aan het eind van 2000 lagen de Europese ambities in duigen.

De malaise die toen begon, was niet alleen maar aan de peperdure UMTS-veilingen en kortzichtige overheden te wijten. De veilingen vormden het sluitstuk van een ambitieuze overnamereeks in de sector. De ambities kenden geen grenzen. Zo had KPN voor 20 miljard euro het Duitse E-plus gekocht, France Telecom voor ruim 40 miljard euro het Britse Orange, Deutsche Telekom voor ruim 50 miljard euro het Amerikaanse Voicestream, en het Britse Vodafone sloeg alle records door voor 180 miljard euro het Duitse Mannesmann over te nemen. De miljarden die daarnaast nog aan de UMTS-vergunningen werden opgeofferd bleken voor de meeste bedrijven te veel.

Na het rampjaar 2000 zijn vooral de voormalige staatstelecombedrijven als KPN, France Telecom en Deutsche Telekom eigenlijk alleen maar bezig geweest met het verteren van hun enorme schulden. Om de rentelasten omlaag te brengen zijn activiteiten afgestoten en verkocht, en zijn de kosten verlaagd door duizenden werknemers op straat te zetten. Om hun lege kas te vullen is aandeelhouders soms het mes op de keel gezet, met geforceerde emissies, in niet eerder vertoonde vormen en gedaanten. Zo deed KPN eind 2001 een aandelenuitgifte waarvan de opbrengst, 5 miljard euro, van tevoren al vaststond (de Nederlandse staat en banken stonden hiervoor garant), een volledige omkering van de normale gang van zaken bij emissies.

Dat de voormalige Europese staatstelecombedrijven niet van de aardbodem zijn weggevaagd, maar de malaise toch hebben overleefd, is voor een niet onbelangrijk deel juist aan nationale overheden te danken. Er stonden te grote belangen op het spel. Veel overheden hebben nog steeds aandelenbelangen in de voormalige staatstelefonie en zagen op de beurs die belangen in korte tijd waardeloos worden.

Aangespoord door de vrees dat de telecombedrijven zouden omvallen, en dat bellen straks misschien niet eens meer mogelijk zou zijn, schoten zij te hulp. KPN ontving eind 2001 van de Nederlandse staat 1,7 miljard euro aan belastinggeld, tweederde van wat Nederland aan de UMTS-veiling heeft verdiend (2,7 miljard euro). France Telecom is vorig jaar 9 miljard euro vanuit Parijs toegezegd, hoewel het concern in Frankrijk relatief weinig hoefde te betalen voor zijn UMTS-vergunning. Niettemin was ook France Telecom wegens ambitieuze overnames en dure vergunningen elders in Europa diep in de schulden geraakt.

Ironisch genoeg hebben de veilingen overheden uiteindelijk meer gekost dan opgeleverd, zegt telecomadviseur Rob Schuyt. Op de beurs is veel geld verloren, belastinggeld is richting de noodlijdende bedrijven gevloeid en er zijn noodgedwongen veel euro's uitgegeven aan uitkeringen voor ontslagen werknemers. ,,De veilingen waren een domme zet'', zegt Schuyt. En zoals meestal bij domme zetten, bovendien heel kostbaar.

De Europese telecom is anno 2003 in feite terug bij af. De voorsprong op de Verenigde Staten is er nog wel maar die had volgens Schuyt groter kunnen zijn. ,,Er is kostbare tijd verloren.''

Gelukkig voor Europese telecombedrijven hebben Amerikaanse branchegenoten hun eigen problemen: boekhoudschandalen (Worldcom, Qwest) en het eeuwige geruzie over standaarden. In tegenstelling tot Europa, waar voor mobiele telefonie overal de GSM-standaard geldt, heeft Amerika een lappendeken aan standaarden, die vaak niet op elkaar kunnen worden afgestemd. Dat staat een snelle ontwikkeling van mobiele telefonie in de weg.

Toch is er wel iets veranderd. Europa loopt nog steeds voorop als er puur gekeken wordt naar het aantal mensen dat hier gebruik maakt van een mobiele telefoon. Daarin wil beursanalist Lukas Daalder nog wel meegaan. Maar als het gaat om nieuwe ontwikkelingen op het gebied van telecom hebben de VS op dit moment een voorsprong. Zo bestaan er in de VS al heel wat hubs, lokale antennenetwerken waarmee via een laptop mobiel toegang tot internet kan worden verkregen. Starbucks en McDonalds hebben zulke netwerken. Bij die etablissementen kan de bezoeker naast koffie en een hamburger tegenwoordig ook een toegangskaartje voor het wereldwijde web bestellen.

,,Op software-gebied zitten alle innovatoren op dit moment in de VS'', zegt ook telecomadviseur Jérôme Koelewijn. Daar heeft hij ook een verklaring voor: Europese telecombedrijven hebben sterk de neiging om alles in eigen hand te houden. Ze zijn eigenaar van hun netwerken, van de inhoud op die netwerken en, zo vinden ze, zelfs van hun klanten. Ik, ik, ik. Andere partijen – de Starbucksen van deze wereld – zijn in zo'n context niet welkom. Terwijl zulke níet-telecombedrijven juist kunnen helpen bij het opstuwen van de omzet. Ze kunnen de animo voor telecom vergroten. ,,Europese telecombedrijven'', zegt Koelewijn, ,,overschatten de relatie die ze met hun klanten hebben.''

Bescheidenheid nu kan op termijn dus geld opleveren; het kan de `taart' voor iedereen groter maken. Daarin schuilt ook het succes van geavanceerde mobiele telefonie in Japan en Zuid-Korea. Bedrijven als het Japanse NTT Docomo beheren het netwerk en zorgen – met hun toeleveranciers – ervoor dat de mobieltjes met kleurenschermpjes en geluid voldoende op de markt voorhanden zijn. Maar het ontwikkelen van inhoud voor de toestellen – spelletjes, seks, info – wordt overgelaten aan derden. NTT Docomo vangt een aanzienlijk percentage voor de diensten die consumenten bij deze derde partijen afnemen, maar laat deze partijen verder met rust. Op dat gebied loopt Azië voor op Europa en de VS.

In jargon wordt het Japans-Koreaanse systeem aangeduid als een `ontbundelde waardenketen', een keten die niet van boven tot onder door één partij wordt afgeschermd. Wil Europa – op telecomgebied – de weg omhoog met succes terugvinden dan moeten de telecombedrijven die `waardenketens' openstellen voor andere partijen, zegt Koelewijn.

Dat klinkt mooi, maar de praktijk is weerbarstiger. Zo zit het Nederlandse KPN als een kloek bovenop zijn taart en wil het deze met niemand delen. Dat is opmerkelijk, want KPN is notabene partner van NTT Docomo. Het heeft in Europa het door Docomo ontwikkelde i-mode-toestel gelanceerd. Maar de KPN-variant van i-mode is, vooral in Duitsland, veel meer afgeschermd dan de Japanse.

KPN-topman Ad Scheepbouwer maakt er sinds zijn aantreden, eind 2001, geen geheim van dat hij zijn buik vol heeft van Opta, de onafhankelijke telecomtoezichthouder die in de jaren negentig door de overheid in het leven is geroepen om de concurrentie in de telecommarkt te bevorderen. Het werk van Opta leidt er vanzelfsprekend toe dat KPN, de dominante en medio jaren negentig enige partij in de markt, zijn winstmarges langzaam ziet afbrokkelen. In economisch voorspoedige tijden accepteerde KPN dat, zij het met veel tegenzin. Maar nu is dat voorbij. Scheepbouwer wil dat Opta van zijn winstmarges afblijft. De toezichthouder moet wat hem betreft worden opgeheven.

Dit jaar mag dan nog niet het jaar van de weg omhoog worden, de sector is wel op een kruispunt aanbeland. Volgens telecomadviseur Koelewijn behoeft de volgende vraag antwoord: is telecom, op langere termijn, een groei-industrie of is de echte groei voorbij? Dat laatste zou betekenen dat voormalige staatstelecombedrijven weer het karakter van een publieke voorziening krijgen, in hun traditionele rol van nutsbedrijf terugkeren. Zonder franje, zonder glamour. Gewoon.

Op dit moment weet eigenlijk niemand in de sector het antwoord op deze vraag. Een grote meerderheid van de telecombedrijven, het Britse Vodafone voorop, gelooft nog steeds dat dit een groeisector is. Een enkel bedrijf is intussen van zijn geloof gevallen. Zo maakte het Nederlandse Telfort onlangs bekend dat het zich uitsluitend wil richten op goedkope mobiele telefonie zonder toeters en bellen. Het bedrijf wil de Easyjet van de telecomsector worden.

De groei zal niet van de vaste telefonie afkomstig zijn. Vast bellen is weliswaar een winstgevende markt, die bovendien veel cash oplevert, maar het is ook een lastige markt geworden. Door toenemende concurrentie van mobiele telefoons en steeds maar verder dalende tarieven staan de inkomsten uit vaste netwerken onder druk. De omzet uit spraaktelefonie daalt jaarlijks met 3 à 4 procent en dat gaat volgens telecomadviseur Schuyt snel richting de 5 procent.

Snel internet via het vaste netwerk (breedband, ADSL) heeft het omzetverlies tot nu toe niet kunnen compenseren. De invoering van ADSL is erg traag geweest, bedrijven waren te druk bezig met het hoofd boven water houden. Bovendien `kannibaliseert' ADSL andere lucratieve diensten, zoals huurlijnen. In plaats van huurlijnen voor betalingsverkeer nemen kleine en middelgrote bedrijven steeds vaker een goedkoper ADSL-abonnement.

Nog wel echte groeipotentie heeft de mobiele telefonie, zegt zowel Schuyt als Koelewijn. De spraakmarkt is weliswaar verzadigd (70 procent van de mensen belt mobiel) maar door de introductie van datadiensten – mobieltjes met allerhande informatie, internet, plaatjes en bewegende beelden – kan per gebruiker de gemiddelde opbrengst omhoog. Tenminste in theorie. In de praktijk weet eigenlijk niemand precies met welke diensten de consument kan worden verleid om meer uit te geven. Mobieltjes met camera's waarmee je foto's kunt versturen zijn in Japan het jongste succes. Maar in Japan slaat snel mobiel internetten met UMTS niet echt aan – het is te duur, de techniek laat te wensen over. Schuyt denkt niet dat in Europa één dienst eruit zal springen, zoals nu SMS, de simpele tekstberichten. ,,De sleutel ligt in een slimme combinatie van diensten.''

Op dit moment vormen de datadiensten grofweg 10 tot 15 procent van de totale omzet van telecombedrijven. Dat moet naar 30 à 40 procent als de telecomsector aanspraak wil maken op de titel groeisector, zegt telecomadviseur Koelewijn.

Voor het ontwikkelen en de financiering van nieuwe mobiele diensten blijven de meeste bedrijven voorlopig afhankelijk van hun vaste netwerken, hun trouwe melkkoeien. Schuyt schat de overlevingskansen van mobiele belbedrijven die géén vast netwerk hebben, zoals het Britse mmO2, klein in. MmO2 werd enkele jaren terug afgesplitst van British Telecom (BT), dat met het vaste netwerk achter bleef. Het mobiele bedrijf heeft dus geen melkkoe en móet een beroep doen op de – terughoudende – financiële markten om aan geld te komen. ,,De scheiding van BT was een vergissing'', zegt Schuyt. ,,Het wordt de doodsklap voor mmO2.'' BT maakt daarentegen (weer) winst.

Vodafone, het grootste mobiele-telecombedrijf ter wereld, heeft ook geen vast netwerk. Maar Vodafone heeft relatief ook minder schulden. Het concern heeft in het verleden een gelukkige hand gehad in overnames. De mega-overname van Mannesmann werd gedaan in de vorm van een aandelenruil. Geld lenen, zoals KPN moest doen bij de overname van E-plus, was daardoor niet nodig. Bovendien heeft Vodafone volop kunnen profiteren van de vroege liberalisering van de Britse telecommarkt, al in de jaren tachtig, veel eerder dan in de rest van Europa. Vodafone is de uitzondering die de regel bevestigt.

Voor de voormalige Europese staatstelecombedrijven is de ommekeer bewerkstelligd. Omkeer-managers als Ricke en Scheepbouwer zijn geslaagd. Maar voor hoe lang? Voor korte duur? De weg terug omhoog is zeker dit jaar nog niet gevonden. Of moeten de omkeer-managers zichzelf nu ook opnieuw uitvinden en veranderen? In ambitieuze, visionaire bestuursvoorzitters? Maar dan solide?