`Te veel makke schapen'

Sommige grote beleggers en ethische fondsen proberen als aandeelhou-

der het gedrag van bedrijven bij te sturen. Het effect is nog beperkt.

Het was voorpaginanieuws begin deze maand: offshorebedrijf IHC Caland neemt geen opdrachten meer aan van een Birmese oliemaatschappij. Jarenlang oefenden maatschappelijke organisaties zoals Amnesty en beleggers als ABP druk uit op IHC om geen zaken meer te doen met Birma. Hun belangrijkste verwijt is dat het militaire regime in dit land de mensenrechten niet eerbiedigt.

Begin mei bleek dat die druk effect had gesorteerd. IHC maakte tijdens de aandeelhoudersvergadering bekend dat het bestaande contract voor de bouw en het onderhoud van een olieopslagplaats niet wordt verbroken, maar dat het concern eind 2001 een nieuwe order uit Birma voor de bouw van baggerschepen heeft afgewezen.

Volgens de directeur van IHC is het beleid inzake Birma gewijzigd ,,op verzoek van de Nederlandse regering''. Jeroen Jansen, adjunct-directeur van ASN Bank, ziet het anders. De beslissing van IHC is volgens Jansen ingegeven door de druk die een aantal instellingen achtereenvolgens uitoefende. Maatschappelijke organisaties zoals het Birma Comité Nederland vestigden sterk de aandacht op Birma en namen onder meer het initiatief tot een informerend gesprek over Birma met het ABP. Jansen: ,,Zij riepen het ABP op zijn spierballen te laten zien en dat heeft het pensioenfonds gedaan, onder meer door kritische vragen te stellen op de aandeelhoudersvergadering van IHC. Later kwam daar nog de verklaring van het ministerie van Economische Zaken bij, waarin het zakendoen met Birma sterk werd afgeraden.''

Uit de gang van zaken rond IHC blijkt duidelijk hoe groot de invloed van beleggers kan zijn bij het afdwingen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, vindt ook Bas Rüter, adjunct-directeur van Triodos Bank. Hij vertelt dat verschillende pensioenfondsen en banken de afgelopen jaren intensieve gesprekken met IHC hebben gevoerd, waarbij zij het bedrijfsbeleid inzake Birma bekritiseerden. Volgens Rüter zijn beursgenoteerde bedrijven tegenwoordig zeer gevoelig voor dergelijke geluiden, vooral als die afkomstig zijn van institutionele beleggers, zoals ABP (pensioenfonds ambtenaren) en PGGM (pensioenfonds zorg), die grote financiële belangen vertegenwoordigen. Ter vergelijking: het totaal belegd vermogen van ABP en PGGM bedraagt respectievelijk 136 miljard en 45 miljard euro, tegen 500 miljoen euro van ASN Bank en circa 440 miljoen euro van Triodos.

Het gebeurt echter relatief weinig, zegt Rüter, dat een bedrijf onder druk van maatschappelijke organisaties en beleggers, uit vrees voor of na negatieve publiciteit, besluit `duurzamer' te gaan opereren, zoals IHC Caland heeft gedaan. Rüter: ,,Het komt veel vaker voor dat bedrijven uit zichzelf, zonder dat sprake is van een schandaal, positieve veranderingen doorvoeren binnen hun organisatie, zodat deze beter voldoet aan de eisen van duurzaam ondernemen. Maar dit blijft vaak onzichtbaar voor de buitenwereld en wordt niet in de media belicht.''

Triodos en ANS Bank, die uitsluitend beleggen in ondernemingen die voldoen aan hun criteria voor duurzaam ondernemerschap, zeggen steeds vaker door bedrijven betrokken te worden bij de realisatie van dergelijke veranderingen. Jansen: ,,Toen researchers van ASN Bank contact opnamen met DSM, omdat ze wilden bepalen of DSM aan ASN's duurzaamheidscriteria voldeed, reageerde DSM enthousiast. Het bedrijf zegt graag aan duurzaamheidseisen te willen voldoen en vraagt ons nu regelmatig om advies, bijvoorbeeld bij de opzet van een nieuw mensenrechtenbeleid. Terwijl wij internationaal bezien een kleine belegger zijn, waarvan DSM zich niets zou hoeven aantrekken.''

Ook Triodos roemt DSM, al komt het bedrijf wegens zijn chloorproductie niet in aanmerking voor opname in de fondslijst van Triodos. Rüter werd twee maanden geleden uitgenodigd voor een werkweek van de divisie DSM Coatings, die een eigen duurzaamheidsbeleid opzette en daarvoor werknemers had laten overkomen uit alle uithoeken van de aarde. Triodos en een aantal maatschappelijke organisaties waren ook uitgenodigd, om mee te denken.

Rüter noemt de invloed van beleggers groot, ,,vooral sinds de institutionele beleggers zich zijn gaan interesseren voor duurzame beleggingen''. Waren tot enkele jaren geleden vooral particuliere beleggers hierin geïnteresseerd, institutionele beleggers tonen nu steeds meer belangstelling. Mede voor hen richtte Triodos begin 2002 met PGGM en vermogensbeheerder Mees Pierson, Dutch Sustainability Research (DSR) op, een organisatie die informatie verzamelt en verkoopt over de mate waarin ondernemingen duurzaam ondernemen. Een bank als ING, die ook een duurzaamheidsfonds voert, koopt deze data en bepaalt op basis daarvan of het een onderneming geschikt vindt voor zijn fonds.

Triodos merkt dagelijks hoezeer de houding van ondernemingen ten aanzien van duurzaam ondernemen veranderd is. ,,Een bedrijf als Elsevier weigerde vijf jaar geleden zo ongeveer een gesprek met onze researchers, maar is nu zeer bereid mee te werken'', zegt Rüter. ,,De onderneming weet donders goed dat pensioenfondsen onze informatie gebruiken bij de besluitvorming over aankoop van aandelen. Bij recent onderzoek gaf ongeveer 70 procent van de pensioenfondsen aan dat deze een belangrijke rol speelt bij hun besluitvorming.''

De economische malaise tast de inzet volgens Rüter niet aan. ,,Kijk naar KLM, dat druk bezig blijft met duurzaamheid. Het kiest ervoor ook in deze moeilijke tijden het thema niet te laten liggen. Elk jaar brengt het gedetailleerder in kaart welke milieuschade het bedrijf veroorzaakt en hoe deze kan worden verminderd. Dat was zes jaar geleden wel anders.''

Sommige beleggers, zoals Peter-Paul de Vries, directeur van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB), vinden echter dat hun invloed op duurzaam ondernemerschap schromelijk wordt overdreven. De VEB telt 27.000 leden, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, met een gemiddeld belegd vermogen van 500.000 euro. ,,Het enige wat wij kunnen doen is een vraag stellen tijdens de aandeelhoudersvergadering en persisteren als deze niet beantwoord wordt'', zegt De Vries. ,,Bij de meeste vergaderingen heb je weinig te zeggen. De tijd die resteert voor vragen over het duurzaam gedrag van een onderneming, is beperkt. Op de agenda staat de behandeling van jaarrekening en jaarverslag voorop. Vragen stellen over cijfers, rendement en strategie, of bijvoorbeeld over de benoeming van commissarissen en financiële machtigingen, is onze eerste verantwoordelijkheid.''

Soms, vindt De Vries, wordt echt te veel tijd opgeëist voor vragen over duurzaamheid. Hij herinnert zich een aandeelhoudersvergadering van Shell: ,,Een Nigeriaan, die volgens mij alleen aandelen had gekocht om vragen te kunnen stellen, begon over een pijpleiding in Zuid-Afrika, die niet meer aan de veiligheids- en milieueisen voldeed. Dat duurde zo lang dat hij in wezen de aandeelhoudersvergadering gijzelde.''

De VEB is van mening dat aandeelhouders pas vragen moeten stellen over duurzaamheidsaspecten als het bedrijfsresultaat hier negatief door beïnvloed wordt – bijvoorbeeld door een tekortschietend personeelsbeleid. Een uitzondering maakt hij voor ondernemingen in risicovolle sectoren, zoals de chemie: ,,Daar ben je alerter, wat nog niet wil zeggen dat je steeds vragen stelt. Duurzaam ondernemen is de verantwoordelijkheid van de directie, en aandeelhouders leiden een onderneming niet. Ik ga ook niet controleren of de directeur om negen uur op zijn werk is.''

Adjunct-directeur Jansen van ASN Bank zou dat graag anders zien. ,,Ontzettend veel aandeelhouders zijn makke schapen'', zegt Jansen. ,,Ze zijn mede-eigenaar van een bedrijf, maar de meerderheid is alleen geïnteresseerd in het financiële resultaat, en niet in de maatschappelijke betrokkenheid van een onderneming. Zijn zij zich niet bewust van hun invloed op dit gebied of interesseert deze hen niet? Beleggers zouden enorme macht kunnen hebben op het duurzaamheidsgedrag van bedrijven.''