Stamboekkoeien in de sawah

Hoezo `The Empire Writes Back', vraagt Pieter Steinz zich af in de aan Indonesië gewijde aflevering van de serie lezen op locatie.

Een literaire melkkoe. Zo werd Nederlands-Indië al in de negentiende eeuw genoemd door Conrad Busken Huet. `Wanneer onze kleinzonen eenmaal aan het catalogiseren gaan', zo voorspelde de gevreesde criticus, `dan zullen zij zich verbazen over het cijfer der nederlandschen letterkundigen van beiderlei geslacht, door wie aan deze speen getrokken is'. En hij kreeg gelijk. Sinds Willem van Hogendorp in Kraspoekol (1780) de gevaren van `strengheid jegens de slaaven' romantiseerde, hebben honderden schrijvers de Indische (koloniale) ervaring tot onderwerp van fictie gemaakt. De beroemdsten zijn zonder twijfel Multatuli, Louis Couperus en Hella Haasse, maar ook minder grote namen als Arthur Japin (De zwarte met het witte hart) en Adriaan van Dis (Indische duinen) maakten het koloniaal verleden van de Republiek Indonesië tot een van de kenmerkendste thema's van de Nederlandse literatuur.

`De boeken uit de Nederlands-Indische literaire traditie liggen in elkaars verlengde, alsof de schrijvers in een estafette het stokje aan elkaar doorgeven.' Aldus Kester Freriks (Grand Hotel Lembang, 1979) vijf jaar geleden in deze krant. Couperus schreef in navolging van P.A. Daum over de `goena-goena', de stille kracht, van het oosten; Haasse moderniseerde in Oeroeg (1948) het verhaal van een teloorgaande interraciale vriendschap in Augusta de Wits Orpheus in de dessa (1903); Helga Ruebsamen sloot in Het lied en de waarheid aan bij de afscheid-van-Indiëroman Nog pas gisteren (1951) van Maria Dermoût.

Deze selectie maakt al duidelijk dat de Indische postkoloniale literatuur in het Nederlands beperkt is gebleven tot proza en poëzie van de (zoons en dochters van de) kolonisatoren. In het onafhankelijk Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog is het Bahasa Indonesia de (literaire) voertaal geworden; anders dan Engeland en Frankrijk profiteert Nederland dus niet van een `empire-writes-back'-situatie, die grootheden als Salman Rushdie en Maryse Condé heeft voortgebracht. Van de weeromstuit toont Nederland zich blind voor de nieuwe Indonesische literatuur. Dichters als Rendra en Toety Nurhadi genieten nog enige bekendheid, maar van de naoorlogse Indonesische prozaschrijvers zijn voornamelijk de eeuwige Nobelprijskandidaat Pramoedya Ananta Toer en de controversiële Ayu Utami vertaald. Wie op Indonesische locaties Indonesische boeken wil lezen, zal over de kudde Hollandse melkkoeien heen moeten kijken.

Volgende week: het Amerikaanse Zuiden. Opmerkingen: steinz@nrc.nl