Recessie maakt portretkunst sober

De portretkunst, niche in de kunstmarkt, is sinds de recessie haar uitbundigheid verloren. Al is het beeld niet ondubbelzinnig. ,,Mijn opdrachten zakten dramatisch in, maar dat is toeval.''

Een raam en een deur, breder is de gevel niet. Binnen hangt het vol met portretten, grote en kleine, in olieverf of houtskool, volslagen onbekenden en soms ook een bekend gezicht. Realistisch als op een sprekend gelijkende foto, figuratief of impressionistisch afgebeeld, een enkeling ingetogen of juist met zwier geschilderd. Sommige staan op de vloer, het hoofd te groot om aan de muur te hangen.

De pijpela heet Galerie Het Portret, vlak naast de Grote (Mattheüs Passion) Kerk van Naarden. Wie zich als ets, litho of schilderij wil vereeuwigen, desnoods als sculptuur, kan hier terecht: de galerie bemiddelt tussen opdrachtgever en zo'n veertig schilders. 2000 en 2001 waren topjaren. Sindsdien doet de recessie zich gelden.

Je kon absoluut merken dat het in die jaren heel erg goed ging, zegt Sabine Lohman, die met Henny Beilemans de galerie drijft. De klant werd almaar uitbundiger. Het maakte hem haast niets meer uit. Vrijwel alles kon. De prijs deed er steeds minder toe. ,,Nu is dat echt anders geworden.''

Tien jaar geleden begonnen zij in Amsterdam. In een doodlopende straat in de Jordaan. ,,Het liep wel redelijk, maar de lokatie was niet top'', zegt Lohman. Vijf jaar geleden konden ze het pandje in Naarden-Vesting huren. ,,Een geweldige plek, nog steeds een geweldige plek.'' Het stadje trekt veel bezoekers. En hun galerie moet het hebben van mensen die komen binnenlopen. Kleine advertenties in een aantal landelijke dagbladen hebben nooit wat opgeleverd. Mond-tot-mond-reclame wel. Mensen komen binnen die een overledene van een foto nageschilderd willen hebben. Kunstkenners komen ook wel, maar alleen om te kijken. En gezinnen komen veel, willen hun kinderen laten portretteren. ,,Vaak heel brave gezinnen.''

Maar de beste klanten zijn bedrijven. Zoals laatst een directeur, ,,die alles al heeft en veel om kunst geeft en voor zijn afscheid zijn drie dochters als cadeau geschilderd kreeg''.

Lang niet al hun veertig schilders krijgen ook opdrachten. Een stuk of tien maar en die hebben altijd wel werk, zijn dan ook in financieel opzicht voor hun galerie interessant. Van de overige dertig hangt werk in de galerie – kennissen, familieleden, vrienden. Als voorbeeld. De prijzen variëren sterk, van 50 euro voor een schetsje tot minstens 6.000 euro voor een olieverfschilderij van hun `topschilder'. De echte rijken komen nooit, al zou Lohman dat wel willen (,,Die hebben hun eigen kanalen.''). En al is hun `aanbod' groot, sommigen vinden het al gauw te duur, en dat heeft niet eens te maken of zij veel geld hebben, Nederlanders zijn zuinig. Daar komt bij: Nederlanders vinden het niet gepast jezelf te laten portretteren, zegt ze. En natuurlijk is er de recessie.

,,Dramatisch'', zo noemt Fred Schley (1957) de teruggang in het aantal opdrachten die hij opeens kreeg. Hij is een van de tien kunstenaars die regelmatig voor de galerie portretten maken. Voor hem kwam het keerpunt in de tweede helft van 2001, na `11 september'. ,,Het viel volkomen stil.'' Het jaar daarop kreeg hij weer opdrachten, maar toch zo'n 10 tot 15 procent minder dan in heel 2001. Veel verklaring daarvoor heeft hij niet. Misschien `11 september', de recessie? Dat gelooft hij niet. Want dit jaar komt hij al weer aardig in de buurt van 2001. Het gaat op de kunstmarkt wel vaker op en neer, ook in de goede jaren, zegt hij. Hij heeft maar één verklaring: ,,Toeval''. Toeval? ,,Ja, puur toeval.''

De Portretwinkel in Haarlem – naast de Naardense galerie een van de weinige bemiddelaars in Nederland (afgezien van een aantal internetwinkels en de kunstgaleries die `het erbij doen') – merkt niets van de recessie. Echt helemaal niets? ,,Nee hoor, voorlopig nog niets'', zegt eigenaresse Wilma van der Peet aan de telefoon. Dat wil zeggen: in 2002 had zij dezelfde omzet als in 2001. ,,En 2003 is goed begonnen.'' Zij heeft de laatste jaren gemiddeld 130 opdrachten, waaronder professoren van de Universiteit van Amsterdam die met emeritaat gaan tot aan opdrachten uit België, Duitsland en Engeland toe (,,Maar meest Nederlanders'') voor gemiddeld 3.000 euro per opdracht. De Naardense galerie had er in 2001 nog 70, vorig jaar was dat aantal geslonken tot 50.

Jacques Grégoire (1961) die, net als Schley, voor de Naardense galerie werkt, zegt van recessie evenmin nog iets te merken. Hij heeft de indruk dat, nu het financieel minder gaat, opdrachtgevers (inkomenscategorie `modaal' of hoger) eerder een mooi schilderij of een portret aanschaffen dan kiezen voor een `tweede wintersportvakantie' – tenslotte houden zulke mensen van kunst.

Bij de Nederlandse vereniging van galeriehouders, waarbij 168 kunstgaleries uit heel Nederland zijn aangesloten, bestaat min of meer hetzelfde beeld. ,,Maar galeries moeten er tegenwoordig harder aan trekken'', zegt voorzitter Roland Janssen, zelf galeriehouder.

Mocht hij straks inderdaad minder opdrachten krijgen en de verkoop van zijn vrije werk opdrogen – dat hij net als Schley naast zijn portretwerk doet – dan zal Grégoire, net als toen hij begon, weer aan pr moeten doen en galeries actief benaderen. Hij kan sinds een aantal jaren zijn hoofd boven water houden. Hij hoeft geen concessies te doen aan wat hij wil schilderen, wil dat ook zo lang mogelijk volhouden en pas op het laatst misschien tijd vrijmaken om schilderles te gaan geven – want dan zou hij nog steeds met zijn vak bezig zijn en toch financieel onafhankelijk blijven. ,,Maar zelf schilderen is mijn lust en mijn leven, daar wil ik alles voor inzetten.''