Paffen bij een glaasje

In de horeca wordt met een mengeling van ongeloof en lacherigheid gereageerd op de gedachte dat ook cafés en bars op afzienbare termijn rookvrij moeten zijn. Weliswaar heeft deze bedrijfstak enig respijt gekregen – in alle ondernemingen krijgen werknemers op 1 januari 2004 recht op een rookvrije werkplek – maar een jaar daarna moet ook de horeca eraan geloven.

Aan dat geloof ontbreekt het vooralsnog ten enen male. Hou toch op, schei toch uit, zegt mijn buurman die al sinds mensenheugenis een gerenommeerd Amsterdams café drijft. Het idee wil er gewoon niet bij hem in. ,,Dat is toch ondenkbaar? Hoe stellen ze zich dat in Den Haag eigenlijk voor? Een rookvrij café, onvoorstelbaar. Wat een hangjassen, die zoiets verzinnen.''

Ik las dat de uitbaters van coffeeshops, die niet onder de horecawet vallen en waar de peuken dus al over een half jaar moeten worden gedoofd, zich helemaal een breuk lachen. Een rookvrije coffeeshop, dat is zoiets als een zwembad zonder water, een disco zonder muziek, een bibliotheek zonder boeken.

Het lachen zal deze ondernemers snel vergaan. Dat rookverbod in het café komt er gewoon, daar wil ik tien sloffen sigaretten om verwedden. In New York is het al zover, in Noorwegen ook. Helemaal voorop loopt Californië. Daar geldt al sinds 1998 een algemeen openbaar rookverbod waar strikt de hand aan wordt gehouden. Die kant gaan wij ook op. Overheidsgebouwen, scholen, sportkantines, openbaar vervoer, kantoren: overal gelden inmiddels rookverboden en de weinige vrijplaatsen die er nog over zijn, zullen onherroepelijk worden gezuiverd en opgeruimd als waren het haarden van sars en vogelpest.

De onafwendbare inperking van de mogelijkheid in het openbaar te roken, moet van harte worden toegejuicht. Iedereen tegen wie ik dit zeg, denkt dat het ironie is. In ieder geval iedereen die weet dat ik met graagte in het café zit te paffen als ik mijn dosis witte wijn kom consumeren. Maar het is geen ironie, ik denk dat het helpt. Alle keren dat ik heb geprobeerd met roken te stoppen, wat dan kortere of langere, maar meestal kortere tijd lukte, ben ik weer begonnen bij dat glaasje wijn in het café. Het is de combinatie die 't hem doet. Twee of drie eenheden alcohol en mijn weerstand is gesloopt. Dus misschien is het rookverbod in de horeca ook voor mij wel de laatste kans om met roken te stoppen zonder op een heel andere manier te moeten gaan leven.

Dit is natuurlijk een egoïstisch argument, ik hoor te zeggen: andere cafébezoekers en personeel hebben het recht gevrijwaard te blijven van meeroken. Dat zal wel, maar je kunt ook zeggen: wie niet wil meeroken, blijft dan maar weg. En je gaat als anti-roker toch zeker niet in een coffeeshop of een bruine kroeg werken? Meeroken gaat als argument voor een rookverbod alleen maar op voor ruimtes waar mensen noodzakelijk moeten verblijven. Nee, ik ben voor zo'n rookverbod omdat het op den duur tot vermindering van het roken in het algemeen zal leiden. In Californië schijnt dat effect ook al wel te zijn aangetoond.

Het zal wel vreselijk wennen zijn. Drinken, roken, praten, het hoort zo bij elkaar. Maar op den duur zal het rookverbod in de horeca ook wel weer gewoon worden. Ik herinner me dat vroeger iedereen zat te roken in de bioscoop. Achterop elke stoel was een, altijd uitpuilend, asbakje vastgeschroefd. Ondenkbaar, dat je tweeënhalf uur naar een film zou kunnen blijven kijken zonder sigaret. Nu huiver ik bij de gedachte aan het brandgevaar in die overvolle, blauw van de rook staande bioscoopzalen. Het was in mijn jeugd ook de gewoonste zaak van de wereld dat leerkrachten voor de klas vrolijk aan pijp of sigaar zaten te lurken. Op middelbare scholen mochten leerlingen in de pauze ook gerust opsteken. Wat ik niet meer zeker weet, is of je in de wachtkamer van de dokter mocht roken, maar het staat me bij van wel.

Libertaire geesten beschouwen het rookverbod in openbare ruimtes, inclusief de horeca, als een teken van bedilzucht van de overheid, die het niet kan laten zich op allerlei manier met regeltjes in het privé-leven van de burgers te mengen. In deze krant kwam op 11 april, kort na de invoering van het draconisch gehandhaafde rookverbod in New York, waar bars met stiekem rokende klanten worden dichtgetimmerd, de satirische schrijfster Fran Lebowitz aan het woord. Zij noemde de antirookwet absurd, baby-achtig, godsdienstwaanzinnig, anti-stads, antidemocratisch en hypocriet. ,,Mensen mogen toch verdomme zelf wel uitmaken wat ze met hun leven doen? Amerika is op hol geslagen. Terwijl we elders in de wereld zogenaamd vrijheid komen brengen, maken we er thuis een eind aan.''

Het is een sympathiek argument, maar het klopt niet. Het kan wel waar zijn dat in Amerika een sfeer van onverdraagzaamheid en puritanisme heerst, zoals tijdens de drooglegging van de jaren twintig, maar een poging het gedrag in openbare gelegenheden te beïnvloeden is principieel iets anders dan mensen hun individuele keuzemogelijkheid te ontnemen.

Wat in de privé-sfeer gebeurt, moet iedereen krachtens de menselijke autonomie voor zichzelf kunnen bepalen. Een nicotineverbod is daarom uit den boze. Net als drooglegging en net als het verbod van soft- en harddrugs. Als iemand zichzelf schade berokkent, hetzij uit een neiging tot zelfdestructie, wegens een verslavingsprobleem of gewoon omdat het gebruik van bepaalde middelen als prettig wordt ervaren en voordelen biedt die volgens de gebruiker tegen de nadelen opwegen, dan hoort de overheid zich daar buiten te houden.

Als Lebowitz het dichttimmeren van bars waar rokende drinkers zijn aangetroffen absurd en hypocriet noemt, hoe moeten we dan het dichttimmeren noemen van een Amsterdamse discotheek waar een legermacht van tweehonderd politiemensen werd samengetrokken, omdat bezoekers er cocaïne en andere partydrugs bij zich hadden? Het eigenaardige is dat die verboden middelen niemand dan de gebruiker zelf schade kunnen berokkenen en dus dichter bij alcoholische dranken staan dan bij rookwaren.

Laten we, in het belang van de volksgezondheid, de criminaliteitsbestrijding en de verdraagzaamheid het volgende afspreken: als de overheid het rookverbod in de horeca doorvoert, wordt dit gecompenseerd met het vrijgeven van de handel in alle genotmiddelen.