Ortolaan

In een oud dagboek staat de volgende waarneming in schooljongenshandschrift: ,,Korenvelden bij Ootmarsum: ortolaan, mannetje. 26 mei 1971, 15.47u.'' Toen raadpleegde ik veldgidsen en vogelatlassen, nu ook, maar eveneens het Etymologisch woordenboek. De prachtnaam `ortolaan' komt in Nederland sinds 1692 voor en is afkomstig van het laatlatijnse `hortulânus', dat betekent: `tot de tuin behorend'. Deze kleine, zaadetende zangvogel met sterke snavel heeft een voorliefde voor moestuinen, bouwland, boomgaarden en goud-golvende korenakkers. Een gorsachtige, lid van de familie van de Emberiza.

Het mannetje is een wonder van kleurrijke pasteltinten, niet opzichtig, een bont getekend en toch gedempt vogeltje van 16,5 centimeter. Het mannetje heeft een olijfgroene kop en borst, heldergele keel en, van nabij gezien, een gele oogring. De onderdelen zijn isabelkleurig. Deze zomergast toont zich voornamelijk in het oosten van het land. Ooit gold de ortolaan als delicatesse, vooral het tongetje. Ze werden op de trek gevangen in slagnetten. Daarom was de ortolaan nooit talrijk. Hij overwintert in de droge savannen ten zuiden van de Sahara. Korenschrijver heet de ortolaan ook; het nest ligt op de grond. Het liedje is muzikaal, ijl en bescheiden.

freriks@nrc.nl