Ondernemer moet kapitalist durven zijn

David Henderson, voormalig chef-econoom van de Oeso, is fel tegen duurzaam ondernemen. `Bedrijven dienen het maatschappelijk belang met omzet en winst.'

De duurzame ondernemer heult met de vijand. Bedrijven die bereid zijn maatschappelijke verantwoording af te leggen aan de buitenwereld, tonen slappe knieën. Ze begrijpen niets van economie en al helemaal niets van kapitalisme.

In deze bewoordingen maakt David Henderson gehakt van het concept duurzaam ondernemen. Onder de titel Misguided Virtue, False Notions of Corporate Responsibility publiceerde de voormalig chef-econoom van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) eind jaren '90 een vernietigende aanval op ondernemingen die veel geld en tijd steken in een duurzaam beleid.

Niemand veroordeelde tot nu toe in scherpere bewoordingen de goede bedoelingen van bestuursvoorzitters van Shell, Reebok, Nike en een lange reeks andere bedrijven. In de discussie over duurzaam ondernemen en het daarmee nauw verbonden afleggen van maatschappelijke verantwoordelijkheid (social responsibility) is het betoog van Henderson nog steeds een belangrijk referentiepunt.

Hendersons economische argumentatie is helder en inzichtelijk. Zonder Adam Smith expliciet te noemen, grijpt hij terug op de redeneringen van deze 18de-eeuwse aartsvader van de economie. Smith stelde zich een onzichtbare hand voor die ervoor zorgde dat mensen die het eigen belang nastreven toch ook bijdragen aan het algemeen belang. De bakker die brood verkoopt wil winst maken, maar hij zorgt er en passant wel voor dat zijn klanten dagelijks verse croissants kunnen kopen.

Henderson is ervan overtuigd dat ook ondernemingen die winst (willen) maken de goede zaak dienen. Ondanks diens jarenlange problemen met de overheid en justitie noemt hij Bill Gates om deze redenering te ondersteunen. Volgens Henderson mag ,,de mate waarin Bill Gates de wereld vooruit heeft geholpen'' niet worden afgemeten aan ,,zijn liefdadigheid, giften of wat zijn bedrijf aan belasting heeft betaald''. Het belang van Gates' bijdrage moet worden afgemeten aan het belang van Microsoft en aan het feit dat de producten van het softwarebedrijf de mondiale economie, welvaart en arbeidsproductiviteit ondersteunen.

Henderson verwijt bestuursvoorzitters van grote bedrijven dat ze de merites van het kapitalisme in de publiciteit niet verdedigen. Dat is laf in zijn ogen. Met minachting citeert hij voormalig Shell-topman Moody-Stuart die wel eens heeft gezegd dat hij de doelstellingen van demonstraties [van anti-globalisten] deelt. ,,Gegeven de anti-bedrijfshouding van veel belangenorganisaties en actiegroepen, en het vijandige gedrag van sommigen, moeten bedrijven zich wel tweemaal bedenken voordat ze een alliantie met hen sluiten'', schrijft Henderson. Volgens hem heeft het bedrijfsleven kopstukken nodig die durven uitleggen dat multinationale ondernemingen het algemeen belang dienen en niet alleen het eigen belang. Hij is het eens met de beroemde Amerikaanse econoom Milton Friedman die heeft gezegd dat bedrijven winst moeten maken en dat ze zich niet om andere zaken moeten bekommeren.

Topman Lee Raymond van het Amerikaanse Exxon-Mobile is een van de weinigen die ongecompliceerde winstmaximalisatie hardnekkig verdedigen. The Economist publiceerde op 15 maart een portret van deze adept van het `harde kapitalisme'. In het Britse weekblad noemt Raymond investeringen in duurzame energie ,,een volstrekte verspilling van geld'' Tony Blair en George Bush ,,weten gewoon niet waar ze het over hebben'' als ze betogen dat de mensheid aloude methoden van energie-opwekking moet inruilen voor nieuwe technologieën zoals brandstofcellen die waterstof en zuurstof omzetten in elektriciteit.

,,Show me the money'', is een favoriete uitspraak van Raymond, maar voor bedrijven die maatschappelijk ondernemen is winst niet langer de enige doelstelling – People, Planet en Profit luidt het nieuwe adagium. Als voorbeeld noemt Henderson weer voorloper Shell. Dit bedrijf heeft het ambitieuze voornemen om te berekenen wat de `netto waarde' is die de onderdelen van het olieconcern in een bepaalde periode aan `de wereld' hebben toegevoegd.

Henderson wijst erop dat deze waarde uiterst moeilijk te bepalen is. Hoe kan de top van een multinationale onderneming [of de lobbygroepen die daarop invloed uitoefenen] bepalen wat goed is voor de wereld? Is het niet bij uitstek een taak van de politiek om daarover te beslissen? Henderson citeert met instemming Milton Friedman: ,,Als ondernemers een sociale verantwoordelijkheid hebben buiten het maximaliseren van winst voor aandeelhouders, hoe kunnen ze weten wat die verantwoordelijkheid is'', vroeg econoom Friedman zich af. ,,Kunnen zelfbenoemde private individuen bepalen wat het maatschappelijk belang is?''

Henderson betoogt dat het vooropstellen van het winstoogmerk van ondernemingen niet per se inhoudt dat bedrijven volgens het economische uitgangspunt van laissez faire onbegrensd hun gang mogen gaan. Overheden kunnen immers regels stellen om ervoor te zorgen dat de winstmaximalisatie van ondernemingen zoveel mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met het algemeen belang.

`Externaliteiten' is in deze context het steekwoord van de econoom: als bedrijven milieuvervuiling of ongelukken met hun werknemers onvoldoende laten meetellen in de resultatenrekening, dan is het aan de overheid om ervoor te zorgen dat die `maatschappelijke lasten' toch worden meegewogen – door belasting te heffen of door wetten in te voeren.

In de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen is van groot belang hoe groot deze externaliteiten zijn. In de ogen van bijvoorbeeld milieugroeperingen en mensenrechtenactivisten zijn de externaliteiten enorm. Zij zien de wereld met zijn multinationale ondernemingen op een ramp afstevenen.

Henderson verzet zich juist fel tegen wat hij noemt de paniekzaaierij (het `alarmisme') van de predikers van de mondiale verlossing, mensen die betogen dat de wereld op weg is naar de ondergang. ,,De successen van ondernemingen en de doelen waarop zij zich richten worden door deze onruststokers in twijfel getrokken'', schrijft hij. ,,Milieu-alarmisme impliceert een gigantisch falen van de markt [enorme externaliteiten], een gapend gat tussen de winstgevendheid van ondernemingen en de werkelijke waarde van hun activiteiten. Dit uitgangspunt zou een herdefiniëring van het kapitalisme rechtvaardigen, een kapitalisme met duurzame ontwikkeling als uitgangspunt.''

Volgens Henderson is die voorstelling van zaken simpelweg onjuist. Met die stelling schaart hij zich in het kamp van de bekende Deense statisticus Bjørn Lomborg die in zijn boek The skeptical environmentalist betoogt dat de wereld er in alle opzichten (van milieu tot armoede) uitstekend voorstaat. Wetenschappers hebben zowel de aanpak als de conclusies van Lomborg afgebrand, maar de discussie over de omvang en het belang van externaliteiten in de wereldeconomie is daarmee niet afgerond en het blijkt lastig waarden zoals het milieu of de mondiale biodiversiteit in economische termen te vangen.

Met Lomburg kiest Henderson voor een rooskleurige kijk op de toestand van de wereld en die visie is van groot belang in zijn betoog. Hij is immers niet alleen van mening dat ondernemingen niet de geijkte instanties zijn om door het stellen van `maatschappelijke doelen' te bepalen wat er in de wereld verbeterd moet worden (dat moet de overheid doen). Henderson vindt ook dat diezelfde overheid zich terughoudend moet opstellen en de vrijemarkteconomie de ruimte moet geven.

Hij is dus geen groot voorstander van regelgeving. Zo wijst Henderson strenge mondiale arbeids- en milieunormen af met een bekende economische redenering: als multinationale ondernemingen in het buitenland hogere lonen moeten betalen of zich aan striktere regels moeten houden, zullen zij wellicht besluiten de winkel in het buitenland helemaal te sluiten. En daarmee zijn armere landen in zijn ogen al helemaal niet gebaat.