Ministerssalaris

Alle Nederlandse ministers, inclusief de minister-president, verdienen bruto per maand 9.169 euro en 33 cent. Dat is een behoorlijk inkomen, ruim zeven maal het minimumloon, maar voor het overige allesbehalve spectaculair. Afgezet tegen de salarissen die in de top van het bedrijfsleven worden betaald, is het inkomen van een minister zelfs een regelrechte lacher. Daar is het jaarsalaris van een minister al gauw een maandsalaris, waarbij allerlei bonusregelingen nog niet eens zijn meegeteld.

Volgens de deze week vertrokken minister van Verkeer en Waterstaat, Roelf de Boer, is het dan ook hoog tijd dat de salarissen van ministers worden aangepast. In een vraaggesprek met het dagblad Trouw bepleitte hij minstens een verdubbeling. Ook dan zaten ministers nog niet in de buurt van het bedrijfsleven, zei de uit die sector afkomstige De Boer.

Het is zonder meer nuttig als de salarissen van ministers weer eens onderdeel van een publiek debat worden. Voor de zuiverheid van het debat moeten daarbij wel een aantal zaken worden onderscheiden. Belangrijk is bijvoorbeeld met wier salarissen die van de hoogste politieke ambtsdragers worden vergeleken. Minister De Boer vergeleek ter ondersteuning van zijn betoog het ministerie van Verkeer en Waterstaat met een middelgrote onderneming waarvan de (politieke) leiding navenant beloond diende te worden. Dat is echter het verkeerde uitgangspunt voor een discussie. Departementen kunnen onmogelijk met bedrijven worden vergeleken. Er is een wezenlijk verschil tussen de publieke en de private sector.

Dat neemt niet weg dat dit tot problemen kan leiden. Als gevolg van de grote beloningsverschillen zien mensen uit het bedrijfsleven af van ministersfuncties. Ook tijdens de afgelopen kabinetsformatie heeft dit weer gespeeld. Voor enkelen is de inkomensachteruitgang te groot. Erkend moet worden dat dit obstakel nooit volledig zal kunnen worden weggewerkt. Het is bovendien geen puur Nederlands verschijnsel. Ter vergelijking: ook de president van de Verenigde Staten krijgt maar eentiende van wat de Nederlandse topman van Unilever verdient. Het dienen van de publieke zaak vergt van mensen die niet rechtstreeks uit de politiek afkomstig zijn in veel gevallen een financieel offer. Maar de grootte van het offer kan wel van belang zijn. Alleen al vanuit dat gezichtspunt is het goed als de ministerssalarissen eens kritisch tegen het licht worden gehouden. Daarbij dient een ondogmatische benadering voorop te staan.

Sinds 1980 is de salarisstructuur van de hoogste politieke ambtsdragers ongewijzigd gebleven. Dat jaar werd het salaris van een minister aangemerkt als het hoogst mogelijke ,,functieloonniveau'' waarvan de salarissen van de overige politieke, semi-politieke en ambtelijke topfunctionarissen werden afgeleid. Vanaf dat jaar kwam het niet meer voor dat burgemeesters van de vier grote steden of commissarissen van de koningin meer verdienden dan een minister.

Maar sindsdien zijn de ontwikkelingen niet stil blijven staan. Vooral de in de jaren tachtig en negentig in gang gezette verzelfstandigings- en privatiseringsoperaties hebben een semi-publieke sector doen ontstaan, met een geheel eigen salarismoraal. Het weekblad Intermediair geeft daarvan deze week enkele markante voorbeelden. Menig ziekenhuisdirecteur of universiteitsbestuurder verdient aanzienlijk meer dan een minister. En ook de directeur van de niet alom bekende instelling Woonzorg Nederland (727 werknemers) blijkt ruim 20.000 euro meer te verdienen dan minister-president Balkenende.

Ruim een jaar geleden signaleerde toenmalig minister van Binnenlandse Zaken De Vries dat de inkomens van topfunctionarissen in de (semi-)publieke sector ,,onvoldoende transparant'' waren. Zijn opvolger Remkes kondigde eind vorig jaar een commissie aan die voor 1 maart van het komend jaar zal adviseren over de beloning van de ambtelijke en politieke top. Dat is hoog tijd, want het ogenschijnlijk heldere model uit 1980 is geheel vertroebeld. Het is allang niet meer zo dat het ministerssalaris model staat voor het hoogst mogelijke functieloonniveau. Een aanpassing van die salarissen ligt dan ook in de rede.

Dan nog zal het ministerssalaris in geen verhouding staan tot de zwaarte en verantwoordelijkheid die de functie met zich meebrengt en het bij het publieke ambt horende afbreukrisico. Maar een goed landsbestuur mag wel wat kosten. In elk geval meer dan nu.