Mininukes

De Amerikanen werken aan kleine kernbommen. Daarmee ondermijnen zij het belangrijkste kernwapenverdrag.

Na een pauze van ruim tien jaar gaan de VS weer nieuwe kernwapens bouwen. Bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Defensie gaf de Amerikaanse Senaat vorige week toestemming voor onderzoek naar de ontwikkeling van heel kleine kernwapens: `low yield' wapens, mininukes. Wapens met een explosieve kracht die minder is dan die van 5 kiloton TNT. Dat onderzoek was sinds 1993 uitdrukkelijk verboden.

Mininukes moeten de Amerikanen in staat stellen ook relatief zwakke derdewereldlanden nucleair aan te vallen. Ook voor een aantal andere projecten waarop al in de geruchtmakende Nuclear Posture Review (een niet-bindende middellange-termijnverkenning) van december 2001 was gezinspeeld is de weg vrijgemaakt. Er komt onderzoek naar kernwapens die zich diep ingraven voor ze ontploffen. En een onderzoek naar wapens die veilig zijn in te zetten tegen voorraden biologische en chemische wapens: `agent defeat weapons'.

Op dit moment heerst, ook in de Amerikaanse media, de grootst mogelijke verwarring over de vraag waar het het Pentagon en de grote wapenlaboratoria (Los Alamos, Lawrence Livermore, Sandia) in de eerste plaats om te doen is: kleine kernwapens of bijzondere kernwapens. Als de tekenen niet bedriegen gaat de belangstelling vooral uit naar de diepgravende `earth penetrating weapons', de EPW's. De EPW's zouden het antwoord moeten worden op de woekering aan `hard and deeply buried targets' van de laatste jaren. Steeds meer staten, waaronder ook Irak, Iran en Noord-Korea, brengen cruciale wapens en militaire centra onder in zware, diep ingegraven bunkers. Ze zijn daar onkwetsbaar voor de huidige wapens. Op verzoek van de Senaat is de ontwikkeling door het Pentagon in kaart gebracht en volgens het rapport dat in juli 2001 verscheen zijn er inmiddels al vele duizenden harde, diep ingegraven doelen.

Een groot deel van deze doelen is onkwetsbaar voor de huidige conventionele èn nucleaire wapens, noteert men. Daarmee wordt terloops duidelijk gemaakt dat de robuuste, nucleaire EPW waarnaar gezocht wordt hoogst waarschijnlijk géén low yield bom zal zijn. De komende `bunker busters' zijn zware wapens, vermoedelijk zelfs waterstofbommen, zoals de vrije val-bom B61-11 die halverwege de jaren negentig haastig werd ontwikkeld uit een bestaand concept.

Dat velen denken dat de bommen toch een soort mininukes zullen zijn komt doordat, al of niet opzettelijk, het gerucht is verspreid dat het binnendringen in de aarde zó gunstig is voor de energie-overdracht van bom naar ingegraven bunker dat met een heel lage `yield' is te volstaan. Zelfs is beweerd dat bunkers zouden zijn te verwoesten zonder dat de bovengrondse omgeving radioactief vervuild werd. Dit blijkt een fabel te zijn.

Over de wijze waarop grote voorraden antrax-bacillen, pokkenvirus of botulinegif zijn uit te schakelen zonder dat daarbij een groot risico voor omwonenden ontstaat is nog steeds geen duidelijkheid verkregen. In de verkennende bureaustudies die daartoe zijn uitgevoerd was vreemd genoeg altijd het uitgangspunt dat het `agent defeat weapon' een niet-nucleair wapen zou zijn. Er zijn exotische oplossingen bedacht, maar sinds kort wordt door Pentagon en wapenlaboratoria weer hoog opgegeven van de schitterende, alles verzengende vuurbol die bij een kernexplosie ontstaat. Opeens lijkt ook hier de nucleaire optie het aantrekkelijkst, al was het maar omdat de chemische en biologische wapens makkelijk ook onder de grond kunnen worden opgeslagen.

Een betrekkelijke noviteit is de ontwikkeling van kleine kernbommen, mininukes, als doel op zichzelf. Defensie-analisten, ook verbonden aan Los Alamos, Lawrence Livermore etc., zijn tot de conclusie gekomen dat de VS in de confrontatie met de Derde Wereld het slachtoffer zijn geworden van hun eigen overmacht. De ter beschikking staande kernwapens zijn zó zwaar dat het besluit om ze in een land als Syrië, Libië of Iran in te zetten niet makkelijk genomen wordt. Self deterrence, heet dat. Mininukes kunnen de zelfafschrikking doorbreken.

Op zijn minst wordt dus aan drie nieuwe wapentypen gewerkt, waaronder de verketterde mininukes. Minister Rumsfeld heeft al laten weten dat het voorlopig uitsluitend gaat om vrijblijvend wetenschappelijk onderzoek, om het verkennen en openhouden van alle opties. Er wordt geen productie of plaatsing beoogd, laat staan gebruik. Maar Democratische Congresleden hebben daar honend op gereageerd (`baloney!'). Er is, vinden zij, door het Pentagon en de wapenlaboratoria te lang en te fel gelobbyd voor toestemming tot dit soort werk om aan te nemen dat het maar om een vingeroefening gaat.

Het was juist de druk van de wapenonderzoekers die de Democraten er bij een eerdere begrotingsbehandeling, in 1993, toe bracht een amendement in te dienen waarin onderzoek en ontwikkeling van kernwapens met een explosieve kracht minder dan 5 kiloton werden verboden: de Spratt-Furse provision. Men vreesde een verlaging van de nucleaire drempel, een verwatering van het verschil tussen nucleaire en conventionele wapens. Mininukes zouden te makkelijk worden ingezet. Het staat nu vast dat het Pentagon op zijn beurt de bereidheid om zware kernwapens in te zetten te klein vond.

De opheffing van het Spratt-Furse verbod is de logische vervolgstap in een ontwikkeling die in de belangstelling kwam te staan bij het uitlekken van de geheime Nuclear Posture Review in het voorjaar van 2002 (zie www.globalsecurity.org), maar die zich al aftekende in 1999 toen de Senaat weigerde het totale kernstopverdrag (CTBT) te ratificeren. Clinton had het verdrag in 1996 getekend, maar het kan nu niet van kracht worden. De VS houden zich aan een zelfopgelegd moratorium op kernproeven dat in 1992 werd afgekondigd. Dat moratorium komt nu in gevaar, want waar nieuwe kernwapens worden ontwikkeld ontstaat vanzelf de behoefte deze wapens te testen.

Vreemd genoeg betekenen de ontwikkelingen vooral een breuk met de nucleaire politiek die door de oude president Bush werd gevoerd. Hij was het immers die het moratorium instelde en hij was het die besloot tot een ontmanteling van een grote hoeveelheid tactische kernwapens. Ook liet hij in 1992 uitdrukkelijk vastleggen dat de VS geen nieuwe kernwapens meer zouden gaan produceren. Het onderzoek aan dat soort wapens bleef toegestaan, maar werd, zoals gezegd, in 1993 beperkt tot wapens sterker dan 5 kiloton.

De `weaponeers' van Los Alamos en Lawrence Livermore, en die van Sandia en Oak Ridge, concentreerden de aandacht noodgedwongen steeds meer op het wetenschappelijk onderzoek naar de veroudering en houdbaarheid van de bestaande voorraad kernwapens: de Science Based Stockpile Stewardship. Het liefst hadden zij dat in reële ondergrondse kernproeven gedaan, maar het moratorium dwong ze tot virtuele explosies in de computer. Verder behelpen zij zich met testen aan subkritische hoeveelheden splijtstof. Het verlangen onder de onderzoekers naar een ouderwetse full blown test moet bijna onbedwingbaar zijn.

Voorlopig blijven testen uitgesloten. Dat neemt niet weg dat het nieuwe wapenbeleid een ondermijning is van het meest fundamentele kernwapenverdrag dat er is: het non-proliferatieverdrag (NPV) dat in 1970 van kracht werd. In dat verdrag beloven aangesloten niet-kernwapenstaten dat ze geen kernwapens zullen kopen of maken, en beloven de kernwapenstaten dat ze zullen streven naar nucleaire ontwapening. De niet-kernwapenstaten, waarvan er vele grote moeite hadden met de opvallende asymmetrie in het verdrag, hebben er altijd naar gestreefd ook de bindende toezegging te krijgen nooit door een kernwapenstaat te zullen worden bedreigd of aangevallen.

Het is niet gelukt die toezegging in het verdrag op te nemen, maar in 1978 gaf de toenmalige president Carter het gevraagde in een plechtige belofte, die als `negative security assurance' bekend staat. Niet-kernwapenstaten, aangesloten bij het NPV, zouden nooit met Amerikaanse kernwapens worden bedreigd.

Vorige week is eens te meer duidelijk geworden dat de Amerikanen van Carters toezegging af willen. Er is geen sprake van een helder omschreven voorbehoud bij een toekomstige inzet van de nieuwe kernwapens. Dat ontbrak ook al in de Nuclear Posture Review van eind 2001 en opnieuw in de `National Security Strategy' die afgelopen september verscheen. Het stuk, een `verplichte' oefening voor een Amerikaanse president, kreeg veel aandacht door de zware nadruk die erin wordt gelegd op het Amerikaanse recht overal waar nodig een preventieve oorlog te beginnen.

Wie het lopende debat, dat dankzij de inspanningen van groepen als de Union of Concerned Scientists en de Natural Resources Defense Council goed op internet te volgen is, bestudeert stelt vast dat de Amerikanen stilzwijgend hebben besloten alle massavernietigingswapens over één kam te scheren en dat alleen al het bezit van biologische wapens nu een kernaanval kan uitlokken.

Niet algemeen bekend is dat deze veranderingen zich al ruimschoots onder het bewind van president Clinton begonnen af te tekenen. In 1993 liet Clinton nog weten dat hij biologische en chemische wapens uitsluitend met conventionele wapens zou bestrijden. Maar in de Nuclear Posture Review die het Pentagon in 1994 uitbracht is dit veranderd in `bij voorkeur'. In 1995 bindt Clinton zich weer uitdrukkelijk aan de veiligheidsgarantie van Carter, in 1996 verklaart het Pentagon dat ook `non state actors' (terreurgroepen) doelwit van een kernaanval kunnen worden. Terreurgroepen hebben tot op heden geen kernwapens.

Het was onder het bewind van Clinton dat, in strijd met de toezeggingen van Bush senior, een nieuw kernwapen werd gebouwd en vervolgens het kernstopverdrag werd getekend. Deze deliberate ambiguity, weloverwogen dubbelzinnigheid, is wel de voornaamste constante in het Amerikaanse nucleaire beleid genoemd.