Meneer heeft zijn dag niet

Het aantal autisten in Nederland is in veertig jaar tijd meer dan verzevenvoudigd. Hoe kan dat? Er wordt beter gekeken dan vroeger, aanverwante stoornissen worden meegeteld, en: `Het is ook iets hyperigs aan het worden.'

Over zoekende ouders die dokters onder druk zetten, stellige diagnoses en kinderen die toch weer anders zijn. De kinderpsychiater: `Ik word steeds voorzichtiger.'

Een meisje van twee jaar en vier maanden schuift op haar billen door de onderzoekskamer van de afdeling kinderpsychiatrie van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. De kinderpsychiater, Emma van Daalen, zit naast haar op de grond en houdt de hoorn van een speelgoedtelefoon vast. ,,Hallo, met wie spreek ik?'' Ze geeft de hoorn aan het meisje. Die slaat ermee op de grond. Emma van Daalen pakt de hoorn terug en zegt: ,,Hallo, spreek ik met oma?'' Daarna pakt ze de doos met blokjes en bouwt een toren. Het meisje kijkt ernaar, maar ze doet niet mee. Ze wrijft in haar ogen. Haar moeder, die vanachter een spiegelwand zit te kijken, zegt dat de ogen van haar dochter ontstoken zijn, vanmiddag gaan ze naar de huisarts. De vader van het meisje, in de onderzoekskamer, mag zijn dochter op schoot nemen. Emma van Daalen gaat naast hem zitten en vraagt: ,,Waar is papa's neus?'' Het meisje wijst haar vaders neus aan. ,,En waar is papa's mond?'' Ze wijst haar vaders mond aan. ,,En papa's oren?'' Het meisje begint te draaien, ze wil van schoot af. ,,Of vind je dat moeilijk?'' zegt ze. ,,Helemaal niet'', zegt de moeder tegen de orthopedagoog en de psycholoog die, ook achter de spiegelwand, opschrijven wat het meisje wel en niet doet. ,,Dat weet ze best.''

Emma van Daalen zet plastic kopjes en schoteltjes op een tafel en zegt dat de pop jarig is. Dat gaan ze vieren. Het meisje lacht, wappert met haar handen. Maar ze blaast geen kaarsjes uit, neemt geen hapje van de taart. Ze begint wel te lachen als Emma van Daalen `Lang zal ze leven' zingt. Ze wappert weer met haar handen. Ze fladdert, noteert de orthopedagoog. Het meisje roept: ,,Buhbuh.'' En even later: ,,Kèhkèh.'' ,,Wat zegt ze nu?'', vraagt de orthopedagoog aan de moeder. ,,Zegt ze `kijken'?'' ,,Nee'', zegt de moeder. ,,Ze praat nog niet. Soms is het alsof ze `mama' zegt. Maar het zijn alleen klanken.''

Emma van Daalen draait met haar hoofd naar de hoek van de onderzoekskamer waar achter een gordijn een speelgoedkonijn zit. ,,Kijk eens'', zegt ze. Ze doet het nog een keer, maar het meisje reageert niet. Dan wijst Emma van Daalen met haar hele arm naar de hoek en zegt nog een keer: ,,Kijk eens.'' Dan kijkt het meisje. ,,Er is sterk oogcontact, hè'', zegt de orthopedagoog tegen de moeder. ,,Ja'', zegt de moeder. ,,Een heleboel dingen kan ze niet. Maar contact zoeken kan ze heel goed.''

Het meisje was veertien maanden toen haar ouders twee keer `nee' antwoordden op vier vragen die hun op het consultatiebureau werden gesteld. Ze kon niet op een `gevarieerde manier' met speelgoed spelen. Ze reageerde ook niet normaal op `prikkels' als kou, warmte, licht, geluid, pijn of kietelen. Zo kwam ze in het onderzoek dat de afdeling kinderpsychiatrie van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht drie jaar geleden begon naar autisme en andere stoornissen die aan autisme verwant zijn. In die drie jaar is aan alle ouders die in Utrecht en omgeving op het consultatiebureau kwamen niet alleen gevraagd of hun kind op een gevarieerde manier speelde en normaal op prikkels reageerde, maar ook of hun kind met `verschillende speeltjes' speelde en of het gevoelens en emoties toonde `op een voor een ander begrijpelijke wijze en op invoelbare momenten'. Dertigduizend kinderen deden mee. Als de ouders op één van die vier vragen `nee' zeiden, had hun kind volgens de onderzoekers van het UMC een verhoogde kans op een stoornis in het autistisch spectrum en kon hun kind thuis, en als het nodig was later in het ziekenhuis, geobserveerd worden om te kijken of dat zo was. Ook als de ouders niet één keer `nee' antwoordden, kon de arts van het consultatiebureau besluiten het kind aan te melden. De huisarts, of een andere arts, kon dat ook doen.

Het UMC heeft nu een onderzoeksgroep van tweehonderd kinderen waarvan, zegt Emma van Daalen, tot nu toe een kwart mogelijk een autistische stoornis heeft. Maar met de andere kinderen is ,,zeker ook iets aan de hand''. Een ontwikkelingsachterstand, of een taalstoornis of, heel soms, een extreem moeilijk karakter waardoor ze niet willen slapen of eten, en driftig worden als ze opeens iets anders moeten gaan doen.

Kinderpsychiaters zeggen tot nu toe dat de diagnose `autisme' of een stoornis die eraan verwant is pas met zekerheid kan worden vastgesteld als een kind een jaar of vier is. Vermoedens zijn er meestal al eerder. De onderzoekers van het UMC proberen een methode te ontwikkelen waarmee problemen in de sociale ontwikkeling eerder kunnen worden opgespoord, als ouders zelf vaak nog weinig of niets vreemds aan hun kind merken. ,,Het is vooral wetenschappelijke nieuwsgierigheid'', zegt Herman van Engeland, hoogleraar kinderpsychiatrie in het UMC en samen met Jan Buitelaar, hoogleraar kinderpsychiatrie in Nijmegen, leider van het onderzoek. ,,Tot nu toe wisten we alleen iets over de vroege ontwikkeling van autistische kinderen uit wat hun ouders over hen vertelden. Wij willen die vroege ontwikkeling zelf volgen.''

Er is nog een belangrijke reden om autistische stoornissen zo vroeg mogelijk op te sporen, zegt Herman van Engeland. ,,Als ouders hier komen met een kind van drie, vier jaar hebben ze vaak al een lange reis langs medisch specialisten achter de rug. Ze zijn ontredderd. Hoe eerder je dat kunt voorkomen, hoe beter het is.'' Autistische kinderen reageren anders dan andere kinderen op hun ouders. Ze kijken hen vaak niet aan of ze vinden het onprettig als ze door hen worden aangeraakt. Ze huilen of lachen op momenten waarop hun ouders dat niet verwachten. Ouders reageren daardoor ook weer anders op hun kinderen, en buitenstaanders denken: die kinderen doen vreemd, omdat hun ouders vreemd doen. ,,De ouders krijgen de schuld'', zegt Herman van Engeland. Voor zijn proefschrift, dertig jaar geleden, deed hij ook al onderzoek naar autistische kinderen. Het viel hem toen zelf op dat hij weinig naar die kinderen lachte. ,,Dat kwam door hun gedrag. Naar andere kinderen lachte ik wel.''

Een groter hoofd

Ouders kregen ook lange tijd de schuld van de problemen bij hun kinderen door de eerste wetenschappelijke publicatie over autisme, uit 1943, van de Oostenrijkse kinderarts Leo Kanner. (Later werd hij Amerikaan.) De elf kinderen die daarin werden beschreven hadden, schreef Leo Kanner, opmerkelijk koele en afstandelijke ouders. Hij schreef ook dat zes van die elf kinderen een groter hoofd dan normaal hadden. Maar aan dat feit, zegt Herman van Engeland, werd geen betekenis gehecht. Tot begin jaren '70 werd autisme gezien als een `psychogene stoornis'. Autistische kinderen waren niet zo geboren, ze waren zo gemaakt door een `ijskastmoeder'. Nu is duidelijk, zegt Herman van Engeland, dat autistisch gedrag voor een groot deel erfelijk bepaald is. Het is nu ook duidelijk dat die grotere schedelomvang, die al in 1943 werd vastgesteld, wél betekenis heeft. De onderzoekers van The International Molecular Genetic Study of Autism Consortium, waar het UMC deel van is, hebben ontdekt dat autistische kinderen niet bij hun geboorte al een groter hoofd hebben, maar pas tussen hun eerste en tweede jaar, en dat dat waarschijnlijk komt door de vergroting van de hersens. In het UMC is nu een gen ontdekt, reline, dat die vergroting voor een deel zou kunnen verklaren. Ze publiceren daar deze maand over in het tijdschrift Molecular Psychiatry.

Nog niet zo lang geleden zeiden onderwijzers en crècheleidsters over lastige kinderen dat ze MBD hadden, minimal brain damage. Daarna werd ADHD een populaire lekendiagnose, attention deficit hyperactivity disorder. Maar nu is het autisme, of een `stoornis uit het autistisch spectrum'. In iedere schoolklas, lijkt het, zit er minstens één. Het is ook zo, zegt Herman van Engeland, dat het aantal kinderen met de diagnose autisme stijgt. In de jaren '60, toen met tellen werd begonnen, werd die diagnose gesteld bij vier op de tienduizend mensen. Nu worden veel hogere getallen genoemd: tien tot twintig per tienduizend mensen. Maar dat komt, zegt Herman van Engeland, vooral omdat er nu meer geld is voor onderzoek, waardoor er beter gekeken wordt. En de stoornissen die aan autisme verwant zijn kwamen er pas later bij.

De Britse psychiater Lorna Wing schreef in de jaren '80 voor het eerst over het `autisme spectrum'. Tijdens een onderzoek onder honderdduizend mensen had ze vastgesteld dat vier op de tienduizend voldeden aan de criteria voor autisme zoals Leo Kanner die had beschreven: ze waren in zichzelf gekeerd, vertoonden stereotiep gedrag, ze herhaalden veel of spraken helemaal niet, ze herhaalden woorden die iemand anders net had gezegd, ze raakten in de war als er werd afgeweken van vaste patronen. Maar Lorna Wing zag nog meer. Bij zo'n twintig op de tienduizend ontdekte ze één of een paar van die kenmerken, maar niet allemaal. Dat waren de mensen met een `stoornis uit het autistisch spectrum'. Dat kon zich uiten in extreme starheid, een totaal gebrek aan inlevingsvermogen en verbeeldingskracht. Het waren vaak mannen.

De meeste psychiaters gaan er nu vanuit dat autisme of een aan autisme verwante stoornis voorkomt bij vijfentwintig tot dertig op de tienduizend mensen. Er zijn ook Engelse en Amerikaanse onderzoekers die uitkomen op bijna zeventig op de tienduizend.

,,Ik word steeds voorzichtiger'', zegt kinderpsychiater Emma van Daalen na het onderzoek van het meisje van twee jaar en vier maanden. ,,Je moet echt heel goed kijken. Kenmerken van autisme lijken op gedrag dat ook in een normale ontwikkeling past. Alle peuters draaien wel eens aan de wieltjes van een auto- tje. Maar sommige peuters doen niets anders. Of ze raken helemaal van slag als ze een ander speeltje krijgen. Daarin zit het afwijkende. Maar sommige kinderen hebben zulke lichte kenmerken dat je je afvraagt of je het wel een stoornis kunt noemen.'' Ze kijkt, zegt ze, bij alle kinderen die ze onderzoekt eerst naar het uiterlijk, en of ze goed kunnen zien en horen. Het meisje dat ze net heeft onderzocht, had een dubbele plooi bij haar oogleden. Haar huid was droog, haar haar baby-achtig. Ze kon niet lopen, niet staan. ,,Ik kijk of kinderen dingen met mij delen. Verbazing, plezier, angst. Dit meisje deelde haar plezier om het muziekdoosje wel met mij, maar haar angst voor het konijntje niet.''

Wederkerigheid

Emma van Daalen noemt dat `wederkerigheid'. Voor haar is `gebrek aan gezamenlijkheid' een van de belangrijkste kenmerken van autisme. Ze probeert ook te beoordelen op welk niveau kinderen denken, door te kijken naar hun spel en te luisteren naar hun taal. Bij dit meisje is dat heel moeilijk, zegt ze. ,,Ze speelt als een baby van nog geen jaar oud. En ze spreekt nog niet, al zijn de klanken die ze gebruikt wel communicatief.'' Het kind heeft in ieder geval een ontwikkelingsachterstand. Van de (echt) autistische kinderen is 75 procent zwakzinnig. Dat een kind niet gaat praten is voor ouders meestal het eerste teken dat er iets mis is. Daarom hebben de meeste ouders nog geen zin in een onderzoek als hun kind veertien maanden oud is.

Emma van Daalen twijfelt waar ze het meisje dat ze net heeft onderzocht moet indelen. ,,Eigenlijk weet ik het nog niet'', zegt ze. ,,Dat zeg ik ook tegen de ouders. Ik zal tegen ze zeggen dat er goed contact met haar te krijgen is, maar dat ik weinig wederkerigheid zie.''

Ze laat video-opnamen zien van twee kinderen bij wie ze niet twijfelde aan de diagnose. Het eerste kind, een jongetje, laat een auto eindeloos rondtollen, ook al laat de onderzoekster hem een paar keer zien wat er nog meer met een auto kan. Het tweede kind, een Roemeens meisje, draait aan het wieltje van een babygym. Voor de balletjes en bellen heeft ze geen belangstelling. ,,Het is een kind uit een weeshuis'', zegt Emma van Daalen. ,,Maar haar moeder zei dat er in de eerste maanden van haar leven goed voor haar gezorgd was.'' Verwaarlozing en mishandeling, en sommige ziekten, kunnen leiden tot gedrag dat op autisme lijkt. Maar dat gedrag is vaak nog wel te beïnvloeden door het kind in andere omstandigheden te brengen. Bij autisme is dat minder zo.

Fred Stekelenburg, directeur van de Nederlandse Vereniging voor Autisme, stuurt mensen vaak naar het UMC in Utrecht als ze denken dat hun kind autistisch is. Ook in Leiden, zegt hij, wordt vaak een zorgvuldige diagnose gesteld. En Fred Stekelenburg heeft alle vertrouwen in het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen, nu daar sinds kort twee hoogleraren kinderpsychiatrie zijn benoemd die vooral onderzoek hebben gedaan naar autisme, Jan Buitelaar en Rutger Jan van der Gaag. ,,Maar in Groningen bijvoorbeeld'', zegt hij, ,,wordt heel vaak PDD-NOS gediagnosticeerd.'' Dat is de autistische stoornis pervasive development disorder not otherwise specified. ,,En ze stellen daar soms vast dat kinderen PDD-NOS én ADHD hebben, terwijl die combinatie volgens andere kinderpsychiaters niet mogelijk is.''

Vervolg op pagina 24

Meneer heeft zijn dag niet

Vervolg van pagina 23

Fred Stekelenburg bedoelt niet, zegt hij, dat er in Groningen slecht onderzoek wordt gedaan. Maar zijn vereniging wil natuurlijk graag dat het niet uitmaakt waar je om een diagnose vraagt, in Limburg, Utrecht of Groningen. ,,In Zeeland'', zegt hij, ,,zat een psychiater die het soms een jaar lang verrekte om de diagnose te stellen. Mensen weken van ellende soms uit naar België.''

Rutger Jan van der Gaag uit Nijmegen en zijn collega Herman van Engeland uit Utrecht zitten allebei in een commissie van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie die nu richtlijnen vaststelt voor de diagnose van autisme. ,,Die hadden er natuurlijk allang moeten zijn'', zegt Herman van Engeland. Rutger Jan van der Gaag noemt het ,,heel jammer'' dat de kwaliteit van het psychiatrisch onderzoek naar autisme in Nederland zo wisselend is. Er zijn instellingen, zegt hij, waar een verpleegkundige dat onderzoek doet, en niet de psychiater. Misschien is die verpleegkundige slim en ervaren, maar een ,,kwaliteitsgarantie'' is er dan niet, zegt Van der Gaag. ,,Er zijn hulpverleners die meteen denken dat een kind een autist is als het geen oogcontact maakt en de godganse dag aan een wieltje loopt te draaien.'' Om autistische stoornissen vast te stellen, zijn er volgens Rutger Jan van der Gaag goede methodes: vragenlijsten, gestandaardiseerde interviews met ouders, observatietechnieken. ,,Maar ik stel vast dat er vaak sterk wordt toegewerkt naar een classificatie.''

Er zijn, zegt hij, gebieden in Nederland waar ,,bijna iedereen'' PDD-NOS heeft. Maar dat kun je de hulpverleners nauwelijks verwijten, vindt hij. Hij denkt dat er in de beschrijving van deze stoornis een fout is gemaakt in de DSM-IV, het handboek voor de diagnostiek van psychiatrische ziektebeelden. ,,Als je die criteria hanteert, heeft al snel iedereen een beetje PDD-NOS: problemen met wederkerigheid, moeite met het ontwikkelen van sociale relaties, rigide belangstellingspatronen.''

Stoornissen die verwant zijn aan autisme – zoals PDD-NOS, maar ook HFA (high functioning autism), het syndroom van Asperger, het syndroom van Rett – werden in 1994 bij de laatste herziening in het psychiatriehandboek opgenomen. In dat jaar had de Nederlandse Vereniging voor Autisme, in Bilthoven, ruim duizend leden. ,,Daarna'', zegt directeur Fred Stekelenburg, ,,begon de groei.'' Er zijn nu bijna 11.000 leden. ,,En ik heb de indruk dat het vooral de laatste tijd weer crescendo is. We kunnen het nauwelijks bijhouden, we groeien met vijftig leden per week.''

Autisme, zegt hoogleraar kinderpsychiatrie Rutger Jan van der Gaag, is ,,iets hyperigs'' aan het worden. Maar hij vindt dat ,,niet slecht''. ,,Autisme is er ernstig genoeg voor. Het veroorzaakt zo veel leed als het níét herkend wordt.'' In Amerika was autisme vijftien jaar geleden een hype, zegt hij. In bijna iedere talkshow ging het erover. ,,Daardoor was er meer geld voor onderzoek en behandeling, en als gevolg dáárvan werd in de VS autisme bij kinderen anderhalf jaar eerder vastgesteld dan in Europa.''

,,Het is steeds dezelfde groep lastige kinderen waar we over praten'', zegt Herman van Engeland uit Utrecht. ,,Vroeger waren het de kinderen met wat we toen minimal brain damage noemden, wat achteraf geen slechte omschrijving is, want ze hébben afwijkingen in hun hersenen. Nu we beter kunnen kijken, kunnen we onderscheid maken tussen ADHD en autistische stoornissen.''

Voor ouders is dat onderscheid belangrijk, vindt Van Engeland. Een kind met ADHD kan behandeld worden met ritalin. Voor een kind met een autistische stoornis zijn er geen medicijnen. ,,Het is hard'', zegt Van Engeland, ,,maar autisme is niet te behandelen''. Suikerloze of kleurstofvrije diëten, therapieën met dolfijnen (populair in Amerika) – Van Engeland wil niet zeggen dat ze onzinnig zijn. ,,Maar wetenschappelijk is er nog nooit enig effect aangetoond.'' Van Engeland ergert zich aan het in Groot-Brittannië wijdverbreide geloof dat autisme kan worden veroorzaakt door de vaccinatie tegen bof, mazelen en rode hond die kinderen rond de veertien maanden krijgen. ,,Dat is ook nog nooit aangetoond.'' Een kwart van de kinderen in Londen heeft die vaccinatie nu niet meer gekregen. Het aantal kinderen dat nu risico loopt op ernstige complicaties van bof, mazelen of rode hond stijgt sterk.

Het enige dat ouders van autistische kinderen kunnen doen, zeggen kinderpsychiaters, is leren hoe ze het beste met hun kind kunnen omgaan. Duidelijke dagindeling, goede voorbereiding op wat komen gaat, geen onverwachte gebeurtenissen. ,,Vakantie kan een ramp zijn'', zegt Rutger Jan der Gaag. Op school – meestal speciaal onderwijs – moet alles ook zo duidelijk en gestructureerd mogelijk zijn. Niet leren rekenen met taarten en appels, maar met cijfers. Want een autistisch kind blíjft een taart of een appel zien en heeft niet het vermogen om zich daar getallen bij voor te stellen.

Rutger Jan van der Gaag kent een autistische jongen die iedere dag met de trein reist. De jongen wordt woedend als de trein vertraging heeft. Hij schreeuwt tegen medewerkers van de NS, en soms voelen die zich bedreigd. ,,Het is een boom van een vent. Hij wordt weleens meegenomen door de politie, maar dan zegt die jongen: `Ik ben hartstikke autistisch, en autisten kunnen er niet tegen als de trein te laat is.' De politie laat hem altijd snel weer gaan.'' Rutger Jan van der Gaag en ook Fred Stekelenburg van de Nederlandse Vereniging voor Autisme denken dat er ook autisten in de gevangenis zitten of in een tbs-kliniek bij wie de stoornis nooit is vastgesteld. Veel autisten, zegt Fred Stekelenburg, hebben een obsessie. ,,Met treinen, wasmachines of een land. Maar er zijn er ook die hebben dat met vrouwen. Dat kan heel vervelend zijn.''

Fred Stekelenburg denkt, op basis van prevalentie-onderzoek dat in het buitenland is gedaan, dat er in Nederland nog zo'n 60.000 `verborgen autisten' zijn. Een hoogleraar uit Dortmund, Meindert Haveman, deed er literatuurstudie naar en publiceerde daarover in het Wetenschappelijk Tijdschrift voor Autisme. Stekelenburg: ,,In toenemende mate melden zich bij ons ook vrouwen die zeggen: `Mijn man heeft het'. Mensen met bijvoorbeeld het syndroom van Asperger kunnen vaak mooi praten over abstracte onderwerpen, maar als je hun drie dingen tegelijk vraagt, slaan ze op hol. Dat hulpeloze trekt vrouwen aan.''

Valium

De vader van een autistisch jongetje van bijna vier heeft een afspraak met kinderpsychiater Emma van Daalen gemaakt, omdat hij, zei hij door de telefoon, een paar dingen met haar wil bespreken. Emma van Daalen weet niet wat voor dingen het zijn, ze weet wel dat ouders van kinderen bij wie autisme en zwakzinnigheid is vastgesteld vaak problemen hebben met de verwerking ervan. Ze heeft zichzelf aangewend om tegen hen te praten over `ontwikkelingsachterstand'. Het duurt vaak lang voordat ouders woorden als autisme en zwakzinnigheid kunnen verdragen.

Deze vader heeft een kind dat geen contact maakt, niet praat, niet imiteert en niet speelt op een manier die bij zijn leeftijd past. ,,Ik heb twee punten'', zegt hij als hij schuin tegenover Emma van Daalen zit in een onderzoekskamer van de afdeling kinderpsychiatrie in het UMC. ,,Het eerste is: hoe staat u in principe tegenover het toedienen van medicijnen?'' Hij legt uit dat het zusje van zijn vrouw arts is, in Turkije, en dat zij goede resultaten ziet van een behandeling met diazepam (valium). ,,Heeft u daar wel eens van gehoord?'', vraagt hij.

,,Jazeker'', zegt Emma van Daalen. ,,Dat is hier ook een bekend geneesmiddel. Maar het wordt meestal niet bij autistische kinderen gebruikt. Ze kunnen er averechts op reageren. Dan worden ze juist heel druk.'' Ze legt uit dat ze bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand altijd wil weten of de oorzaak een stofwisselingsziekte is. Maar dat is bij dit jongetje niet zo. En medicijnen tegen autisme zijn er niet, zegt ze. Alleen tegen sommige verschijnselen – agressie, zelfbeschadiging – kunnen medicijnen soms helpen.

De vader, zelf Nederlander, knikt. ,,Het zusje van mijn vrouw denkt erover om hierheen te komen'', zegt hij. ,,Zou u haar dan willen ontmoeten?'' ,,Dat zou ik heel leuk vinden'', zegt Emma van Daalen. ,,Ik zou graag willen horen over haar ervaringen. Maar voordat ik iets zou voorschrijven, praat ik wel met mijn collega's. Ik schrijf niets voor, als ik er niet zeker van ben dat het zin heeft.''

,,U blijft verantwoordelijk'', zegt de vader. Hij wijst naar Emma van Daalen. ,,U weet welke professoren u moet raadplegen.'' Hij kijkt in zijn papieren en zegt dan: ,,Tweede punt. Ik ben erg kritisch over het vervolgonderzoek van mijn zoon. Jullie zien hem maar een paar uur en als meneer die dag geen zin heeft..'' ,,Doet hij niks'', zegt Emma van Daalen. ,,Precies'', zegt de vader. ,,En dan beoordelen jullie hem negatief. Dus áls hij hier komt voor het vervolgonderzoek, dan eis ik van u dat u luistert naar wat de leidsters op het kinderdagverblijf over hem zeggen.''

,,Ik wil uw zoon graag weer zien'', zegt Emma van Daalen. ,,In het kinderdagverblijf kunnen ze hem goed observeren. En u kent uw kind zelf het beste. Maar ik wil hem graag psychiatrisch bekijken.'' ,,En wat dan als hij weer niks doet?'', zegt de vader. ,,De vorige keer deed hij niks en toen waren jullie heel negatief over hem.''

Emma van Daalen wil weten hoe het thuis met het kind gaat. ,,Vrij goed'', zegt de vader. ,,Hij heeft veel nee's nodig. Maar hij komt wel bij me op schoot zitten. En hij houdt van lol maken. Dat is punt één. Punt twee is dat ik duidelijke vooruitgang bij hem zie. Maar ja, als meneer een dag geen zin heeft..''

,,Ik kan bij u thuis komen voor het vervolgonderzoek'', zegt Emma van Daalen. ,,En u weet dat ik ook met u en met uw echtgenote praat. En ik ben niet de enige die naar uw kind kijkt.'' ,,Ja, ja'', zegt de vader. ,,Ik beticht u niet van slechte dingen. Maar als ik denk aan de vorige keer – toen vond ik u veel te negatief, veel te somber.'' Hij aarzelt even. ,,Het komt erop neer'', zegt hij dan, ,,dat het vervolgonderzoek voorlopig niet doorgaat. Ik hoop niet dat u het vervelend vindt, maar ik denk...''

,,Het gebeurt wel vaker, hoor'', zegt Emma van Daalen. ,,U kunt altijd weer bellen.'' ,,Goed'', zegt de vader. ,,Dan heb ik nog een ander punt. Een neefje van mijn vrouw heeft een vergroeiing in zijn oor waardoor hij niet goed hoorde. Bij hem dachten ze ook eerst aan autisme. Nou dachten mijn vrouw en ik: zou het bij onze zoon ook zoiets kunnen zijn?''

Emma van Daalen kijkt in het dossier en zegt dat het gehoor van de jongen uitgebreid getest is. ,,Dat weet ik wel'', zegt de vader. ,,Maar die dag had meneer ook geen zin. En ik heb die papieren nagekeken en ik zag dat ze alleen naar decibellen hebben gekeken, niet naar hertz. Dat kan toch niet goed zijn?''

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam