Leren jasjes, champagne en rotzooi

De schilderijen van de in 1992 op 82-jarige leeftijd overleden Engelse schilder Francis Bacon zijn op internationale exposities nog immer geliefd. In de documentaire uit 2001 De kunstenaar op nummer 7 die zondagavond wordt uitgezonden, wordt verteld over de verhuizing van zijn atelier aan de 7 Reece Mews in de Londense wijk Kensington naar de Hugh Lane Municipal Gallery in Dublin waar hij in 1909 werd geboren.

Zes jaar had zijn augiasstal onaangeroerd gestaan. In 1998 werd in het geheim zijn atelier waar hij dertig jaar had gewerkt naar Dublin overgebracht. Volgens Bacons erfgenaam John Edwards had de prestigieuze Tate Gallery in Londen geen belangstelling. Al de in het atelier achtergebleven spullen (ruim 12.000) werden door `archeologen' minutieus beschreven, gefotografeerd en laag voor laag afgegraasd. Ieder doek, iedere kwast en alles wat zich in het atelier bevond werd ingepakt. Tijdens deze operatie kwamen onbekende facetten van Bacons leven tevoorschijn en werd zijn manier van werken duidelijk.

Zo liet hij zich inspireren door foto's van de 19de-eeuws foto-pionier Eadweard Muybridge, foto's van stierengevechten, olifanten, neushoorns, worstelaars en metselaars. Ook werk van Van Gogh, Velázquez, Rembrandt en Picasso gaven hem ideeën. Verder vond men papiersnippers, aantekenblocs, knipsels, kranten, kwasten, tubes, uitgescheurde bladzijden, medische tekeningen van mondziektes, film stills zoals de bloedende verpleegster in Eisensteins Pantserkruiser Potemkin (1926), dozen met boeken, lege champagnedozen en zijn geliefde leren jasjes. Het totale interieur - tot het stof op de vloer - ging naar Dublin.

Bacon werkte in een onnoemelijke rotzooi, veelal onder invloed van alcohol. Zijn atelier was bezaaid met druipende potten en lekkende tubes verf, die op tafels en vloer dikke korsten hadden achtergelaten. Volgens projectleidster Margarita Cappock was zijn atelier ,,een geordende chaos'' waarin hij alleen de weg wist.

De boeiende en als een sneltrein gemonteerde film met archiefopnamen, oude interviews en visies van galeriehouders, fotografen, vrienden, schetst een indringend portret van Bacons leven en werk. Werk dat zich laat omschrijven als vormloze fragmenten van lichamen, vleeshompen en angstaanjagende gezichtsuitdrukkingen in de kleuren geel, zwart en blauw. Ook schilderde hij vaak zijn vriend en partner George Dyer die in 1971 zelfmoord pleegde.

Volgens fotograaf Peter Beard heeft zelden iemand hem in zijn atelier aan het werk gezien. Dat wekt wel de lust op om ooit in Dublin eens een kijkje te nemen.

Kunst omdat het moet: De kunstenaar op nr. 7, TROS, Ned.2, 23.40-0.40u.