Katja, de film en ik

Raymond van den Boogaard, politiek redacteur van deze krant, staat model voor de journalist die in de film `Interview' van Theo van Gogh, de soapster Katja Schuurman moet interviewen. Hij was op de première deze week, en geeft zijn visie op de film, Katja en de journalistiek.

`Niet voor publicatie' staat dreigend boven de mededelingen van de Rijksvoorlichtingsdienst aan de pers. Zo ook boven de instructies voor de fotosessie na de beëdiging van het nieuwe kabinet Balkenende bij de koningin. De uitputtende regelgeving in het document is een goede samenvatting van het lulligste wat politiek Den Haag te bieden heeft – geen wonder dat het niet gepubliceerd mag worden. `Hengelen met microfoons is niet toegestaan', instrueert de RVD het handjevol journalisten, dat het voorrecht geniet op vijftien meter afstand de traditionele bordesscène te aanschouwen – het afleggen van de eed vindt geheel achter gesloten deuren plaats.

`Het gebruik van trapjes en statieven' is de bevoorrechten toegestaan, gaat de RVD verder. Behalve als bij regen de hele scène van het bordes naar de vestibule van het paleis wordt verplaatst. Dan mogen de trapjes en statieven weer niet. En zo gaat het maar door, twee volle A-4'tjes. Voor de diverse evenementen van deze historische dag is een verbazingwekkende hoeveelheid pasjes en accreditaties benodigd. En de meeste politieke journalisten kunnen het sowieso wel schudden, want het aantal plaatsen per medium is beperkt en je had je vorige week al moeten opgeven.

Nee, a reporters dream is het maar zelden, het werk op de politieke redactie van een krant. De droom van de rechtgeaarde verslaggever is immers om erbij te zijn, en het leven te betrappen. Op vijftien meter afstand is dat al behoorlijk lastig.

Het spijt me, maar het parlement is verreweg de minst sexy werkomgeving waarin ik ooit heb verkeerd – om een vorig jaar bij premier Balkenende populair modewoord te citeren. De vaderlandse politiek is niet sexy in die modieuze betekenis, van heftig of meeslepend. Nederland is voor een groot deel een land van zeurpieten en pietepeuters, zonder zin voor groots en meeslepend leven. De atmosfeer in en rond 's lands vergaderzaal is van die mentaliteit een getrouwe afspiegeling – en dat is maar goed ook, want het omgekeerde zou hoogst bedenkelijk zijn.

De Haagse politiek is al evenmin sexy in de primaire betekenis van `erotisch geladen'. Ik moet toegeven dat anderen daar bij tijd en wijle anders over denken – allerlei affaires in het verleden tussen politici, soms zelfs van verschillende partijen, tonen dat aan. Maar persoonlijk denk ik dat je – om een voorbeeld te noemen – qua erotiek als verslaggever beter af bent in een burgeroorlog op de Balkan.

En zo komen we bij mijn voornaamste bezwaar tegen Theo van Goghs nieuwe film, Interview, waarin een politieke redacteur van een krant zeer tegen zijn zin de soapactrice Katja moet gaan interviewen, juist op de avond dat het kabinet Balkenende I valt. Acteur Pierre Bokma, die de journalist speelt, vermag heel veel. Maar niet mij doen geloven dat – zoals het scenario wil – de journalist daarover de pest in heeft omdat hij het interviewen van de actrice, gespeeld door Katja Schuurman, als iets van buitengewoon laag niveau ziet.

Dat zou namelijk impliceren dat de parlementaire journalistiek iets is van buitengewoon hoog cultureel niveau. Dat is maar zelden het geval, zoals het publiek bij de première van Interview haarfijn aanvoelde: de zaal barstte in smakelijk lachen uit, toen halverwege de film archiefbeelden opdoken van premier Balkenende, bezig in de Tweede Kamer de val van zijn eerste kabinet aan te kondigen.

Die première had ik met enige zorg tegemoet gezien, omdat de schrijver van het scenario, Theodor Holman, al een week lang in allerlei interviews had verklaard dat de figuur van de journalist in de film op mijn persoon was geënt. Dat Holman daarbij steeds in vleiende bewoordingen over mij sprak, maakte het extra angstwekkend. Een positieve held zijn in een film van Theo van Gogh – een cineast wiens mentale wereld bevolkt is met louter klootzakken – lijkt een treurig lot. Vol sombere voorgevoelens baande ik mij, met een zonnebril op, een weg door het Amsterdamse premièrepubliek, hopend dat niemand mij zou herkennen. En tot mijn teleurstelling gebeurde dat ook niet. Het was een ten diepste perverse situatie.

In het gunstigste geval, dacht ik, had het duo Holman-Van Gogh van mijn naam (en vele andere, bekendere namen) gebruik gemaakt om voor hun no budget-film een mediahype te creëren. Dat is ze ook gelukt – vandaar dit stukje. Maar het is ze graag gegund, want ik vond Interview een erg goeie film. Ik hoop wel dat het de laatste keer is geweest dat ik met een door de makers opgedrongen narcisme naar een speelfilm heb hoeven kijken.

Na de eerste vijf minuten kon ik al opgelucht adem halen: de door Bokma gespeelde journalist is een reguliere klootzak en lijkt helemaal niet op mij. Ik heb met `Pierre' gemeen dat hij een politiek redacteur is die ooit in Joegoslavië heeft gewerkt. Maar in tegenstelling tot `Pierre' ben ik daar niet fysiek of psychisch door getraumatiseerd – dacht ik.

Ik lijd ook niet onder ideeën over high en low culture, hoogstens aan gedachten over goede en slechte journalistiek. Als mij al het voorrecht ten deel zou vallen iemand à la Katja Schuurman te interviewen, dan zou ik dat vakmatig niet iets anders vinden dan het ondervragen van, pakweg, Henk Kamp. Ik zou trouwens met geen van beiden in anderhalf uur zo'n emotionele band ontwikkelen als Pierre en Katja in de film, want ik houd niet van bandrecordertjes. Dus moet ik steeds in een opschrijfboekje kalken, en blijft er weinig tijd over om de tegenpartij diep in de ogen te kijken.

Nu ontleent kunst – om eens een begrip uit de high culture te gebruiken – zijn waarde niet aan de mate van overeenkomst met de werkelijkheid. Tussen het leven en de kunst hoort juist een hoog scherm te staan, opdat de kunst op een hoger niveau zijn betekenis kan ontwikkelen, en eventueel weer een betekenis aan de werkelijkheid kan geven. Dergelijke kunst is in Nederland zeldzaam. Potgieter noemde in de 19de eeuw al de ,,kopieerlust des dagelijksen levens'' de grote plaag van onze cultuur.

Maar Theo van Gogh en Theodor Holman zijn er, in weerwil van al hun realistische pretenties, in geslaagd zulke hogere kunst te maken. Of zij zich dat zelf realiseren, betwijfel ik een beetje. Ik merkte tenminste hoe Van Gogh na afloop van de première rondging onder de genodigden, om te wijzen op overeenkomsten tussen film en werkelijkheid waarvan hij vreesde dat die het publiek waren ontgaan. ,,Heb je wel gemerkt dat in de film Katja Schuurman neukt met de vriend van Ellen ten Damme?'' hijgde hij in mijn oor. Als ik hem goed begreep, bedoelde hij te suggeren dat ook hier de film een basis in de werkelijkheid had. Een aardig detail wellicht, maar voor mijn persoonlijke kunstreceptie van geen belang.

Nadat de mist van flauwekul over mijn rol in de film was opgetrokken, kwam Interview wel degelijk hard aan. Juist omdat de film iets wezenlijks onthult over de journalistiek. Dat is namelijk een zwaar parasitair beroep. Om je werk goed te doen moet je beschikken over een zeker empathisch vermogen – je inleven in de gevoelens en overwegingen van je onderwerp, een zekere persoonlijke verhouding met je omgeving ontwikkelen.

Maar aan het eind van die verhouding staat altijd verraad: de ontwikkelde inzichten en verkregen ervaringen worden geobjectiviseerd tot een stukje. En dat maar heel zelden op de manier die de bron zich ervan had voorgesteld. Die meelevende verslaggever naast jou met je afgerukte been op de markt in Sarajevo? Voorpagina! Die sympathieke politieke redacteur met begrip voor jouw minderheidsstandpunt in de fractie? Zeventig regels analyse over interne verdeeldheid!

Natuurlijk bestaan er voor deze praktijk voortreffelijke excuses: de lezer heeft er recht op te weten hoe erg de oorlog is, en hoe politici omgaan met het vertrouwen dat bij verkiezingen in hen is gesteld. Er is ook geen echt alternatief voor deze werkwijze, maar dat maakt het wezen van het verslaggeverswerk nog niet minder verwerpelijk, in moreel-menselijke zin dan. Verreweg de ongeloofwaardigste uitspraak van `Pierre' – in een film die bestaat uit anderhalf uur dubbele bodems – is dan ook wel dat de journalistiek een ,,beter mens'' van hem zou hebben gemaakt.

Nu we onder de bezielende leiding van Van Gogh en Holman zo diep zijn afgedaald in de krochten van de politieke verslaggeving lijkt het passend te besluiten met een saillant stukje informatie over de Tweede Kamer, van het soort dat doorgaans zelfs de bijlage Leven &cetera niet haalt. Mij is namelijk onlangs, uit doorgaans betrouwbare bron, iets ter ore gekomen over Katja Schuurman, de echte dus, in haar functie als presentator van het politieke tv-programma Lijst 0. Na afloop van de opnamen heeft zij iemand uit de parlementaire wereld uitgenodigd voor een nummertje in de toiletten op de begane grond, bij de ingang Plein. Ik weet natuurlijk wie het was, en hoe het is afgelopen. En ook wat ik zelf zou hebben gedaan, in het onwaarschijnlijke geval dat ik de uitverkorene geweest was. Maar dat is allemaal niet voor publicatie. Er zijn grenzen.