Hoop voor de slangkomkommer

Afgelopen vijftien jaar hebben 1200 auteurs 7000 tropische gewassen in Zuidoost-Azië beschreven. Nog net op tijd, voordat de moderne rijst- en aardappelrassen ze hebben verdrongen.

Ramie, in het Sanskriet meermaals bezongen, is zo'n tropische plant die wellicht in de vergeethoek zou belanden als niet diverse plantkundigen afgelopen decennia zaden en informatie erover hadden opgeslagen. De Chinezen gebruikten de vezels van de ramie (Boehmeria nivea, ook wel genoemd Urtica nivea of Boehmeria tenacissima) eeuwenlang voor het maken van papier. Van China is de plant verspreid over Indonesië en India, waar van de stevige, goed te spinnen vezels ook kleren, tafelkleden, kussenslopen, matten en zeilen werden gemaakt. De ramie-vezels worden nu steeds meer vervangen door de goedkoper te verwerken katoen, vlas en jute, en door synthetische vezels. Maar hier en daar zit het nog wel in netten, vislijnen of garen.

Wie meer wil weten over de langzaamaan verdwijnende Zuidoost-Aziatische vezelplanten voor kleren, netten, bouwmateriaal of matten kan terecht in Plant Resources of South-East Asia, deel 17 Fibre Plants. Hierin zijn behalve de paar grote, commerciële vezelgewassen tientallen minder bekende vezelgewassen beschreven die vaak alleen nog lokaal worden gebruikt. Niet alleen zijn alle namen bij elkaar gezet (voor ramie bijvoorbeeld zijn meer dan 30 lokale namen in omloop), ook de verschillende gebruiken, de teelt, de plagen en ziektes, de verwerkingsmethodes en de economische perspectieven worden systematisch behandeld. Het boek `Vezelplanten' is, samen met de `Varens' en het derde deel van de `Medicinale planten' kortgeleden gepresenteerd. Met deze laatste drie boeken is het in 1985 begonnen project Prosea afgerond: 7000 nuttige planten en bomen van Zuidoost-Azië zijn in 24 boeken beschreven.

Prosea is een initiatief van de Nederlandse en Indonesische regeringen dat met onder andere Nederlands ontwikkelingsgeld werd gefinancierd. Eerder verschenen delen beschrijven de `Vruchten en noten', de `Specerijen', de `Essentiële oliën', de `Houtbomen', de `Rotans', de `Granen' en de `Hulpplanten' zoals vanggewassen voor plagen, erosiebestrijders en onkruidconcurrenten. Uit de Aziatische landen gaan nu de Prosea-bureaus verder met verspreiding van de kenniskennis in de vorm van vertalingen, voorlichtingsboekjes, radioprogramma's en schoolmateriaal.

``Ik denk dat we nog op tijd zijn'', zegt dr. Jan Siemonsma, die vanuit de Wageningen Universiteit Prosea coördineerde en nu verantwoordelijk is voor eenzelfde inventarisatie in tropisch Afrika. De inventarisatie van traditionele tropische gewassen is een race tegen de klok, want met de modernisering van de landbouw en bosbouw verdwijnen ze in hoog tempo. Siemonsma merkte dat ook aan tropische groenten zoals slangkomkommer, Ceylonspinazie en Amaranthus. Op een enkele markt in Oost-Maleisië telde hij er 130, deels verbouwd, deels in het wild verzameld. In de Aziatische supermarkten liggen er meestal, net als hier, maar tien tot vijftien.

Siemonsma: ``Wat opvalt is dat een paar westerse groenten als witte kool en aardappelen uit de koelere hooglanden steeds verder naar beneden kruipen de bedrijven kruisen hitte-tolerantie in. Die nieuwe rassen blijken de traditionele laaglandgroenten te verdringen. Die laatste zijn heerlijk, maar qua opbrengst en prijs blijven ze te ver achter bij die paar veredelde gewassen die met kunstmest en bestrijdingsmiddelen worden verbouwd.''

Omdat een diversiteit aan gewassen belangrijk wordt geacht voor armoedebestrijding en duurzame landbouw, begon de Wageningen Universiteit op verzoek van de Indonesische regering in 1985 met het opbouwen van een netwerk aan auteurs in Zuidoost-Azië. Daar waren de landbouwkundige voorlichters en onderzoekers wél bekend met de ongeveer 250 commercieel verbouwde gewassen, maar van al die duizenden lokaal in gebruik zijnde planten waren geen overzichten. Er was wel veel versnipperde internationale en `grijze' literatuur, bijvoorbeeld dissertaties en scripties. Op basis van wat hiervan kon worden opgespoord, en van enkele verouderde standaardwerken uit de koloniale tijd, hebben toen 1200 auteurs, aangestuurd door de zeven Prosea-bureaus, een overzicht geschreven van een of meer soorten.

Ongeveer dezelfde aanpak volgt de Wageningen Universiteit sinds 2000 voor tropisch Afrika in het zusterproject Prota. Ook daar verwacht men met Afrikaanse instituten zo'n 7000 nuttige planten en bomen te beschrijven, nu ook in samenwerking met de Koninklijke Botanische Tuinen in Londen en de landbouwinstituten in Montpellier (Frankrijk). Uit de voorlopige lijst van 6400 soortnamen blijkt al dat het plantgebruik in Zuidoost-Azië en Afrika behoorlijk verschilt. In het spirituele Afrika dient maar liefst eenderde van alle gebruikte plantsoorten voor het genezen van een kwaal, nog eens eenderde heeft dat als bijgebruik. Daarentegen is in Zuidoost-Azië, wegens het voorkomen van de soortenrijke houtbomenfamilie Dipterocarpaceae, het aantal soorten houtbomen weer opmerkelijk hoog: 1500 bomen worden voornamelijk voor het hout gebruikt, en van nog eens 1500 bomen is hout een bijgebruik; in Afrika is dat de helft. Naar schatting is er slechts tien procent overlap in gebruikte soorten.

Siemonsma zou graag vóór 2025 ook de geschatte 11.000 tropische nuttige bomen en planten van Latijns Amerika op de Proseawijze beschreven zien. Hoewel ook daar de landbouw snel moderniseert, is de kans dat dergelijke inventarisaties ook in 2020 nog veel informatie boven tafel halen toch wel groot. Recente inventarisaties van traditioneel nuttige soorten in het al veel verder gemoderniseerde West-Europa leveren immers ook nog steeds veel kennis op. Zoals Les Salades Sauvages van enkele Franse onderzoekers. De auteurs vinden in de Midi-regio toch nog 36 verbouwde en wilde planten waarvan de bladeren prima als sla zijn te eten. Hieronder zijn de paardebloem, de brandnetel, de akkermelkdistel en wilde cichorei.

En gaat de traditionele, veelzijdige ramie het redden? Nu wordt dit vezelgewas, waarvan de vezels vrij lastig zijn te `strippen', nog verbouwd op zo'n 89.000 hectare; katoen beslaat inmiddels 33.232.000 hectare. Het Prosea-boek schetst wat er moet gebeuren: ``Nieuwe strip- en ontgummingstechnieken, geschikt voor verwerking op kleine schaal, kan de kansen voor lokale handel van ramie verbeteren.''