Een theater moet `rood en goud' zijn

Het liegt er niet om wat de voormalige theaterdirecteur van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag op een dramatisch hoogtepunt uitroept: ,,Ik wil hun dood! Aan het woord is Lambert, de theaterkoning achter de schermen van de enige schouwburg in Nederland die zich met het predikaat `koninklijk' mag tooien. Degenen die hij dood wil zijn Friso Westra en Ietje Tietje, uit duizenden herkenbaar als Evert de Jager, artistiek leider van het Nationale Toneel, en bestuurslid Jeltje van Nieuwenhoven. Door gekonkel in de wandelgangen, achterklap en machinaties hebben zij Lambert ontslagen.

De uitvoering heet Een sterke afgang, door Ger Thijs als schrijver én speler zelf geconstrueerd uit zijn gelijknamige boek. Deze sleutelroman, en nu kunnen we dus spreken van een sleutelvoorstelling, laat weinig te raden over van de aandrift: gram, woede. Thijs wil in geschrifte en op het toneel zijn hart luchten. Binnen het genre van de sleutelroman mag hij feit en fictie naar zijn hand zetten, al naargelang hij dat wil.

Thijs werd in 1999 gepasseerd als artistiek leider van het Nationale Toneel. Kort daarvoor was de schouwburg ingrijpend herbouwd en zogenaamd feestelijk heropend. Thijs maakte, als regisseur, alles van nabij mee. Deze gegevens heeft hij samengevoegd tot een heftige aanklacht tegen de onredelijkheid van de mensen met macht, tegen jonge regisseurs en vooral tegen de volstrekt verknoeide nieuwe Koninklijke Schouwburg.

Je kunt zeggen dat Thijs over de schreef gaat met die `Ik wil hun dood'-wens, dat hij doorschiet, maar het moet gezegd: de woede die uit zijn tekst en spel spreekt, is meer dan gekwetste ijdelheid. Zijn afrekening moet definitief zijn, anders heeft het geen betekenis.

In zwart kostuum en met wit overhemd acteert Thijs in een monoloog zijn relaas. Hij bedient zich van geen enkel rekwisiet, het toneel is leeg. Een blauw gordijn dient tot achtergrond. Het sterkst is zijn alleenspraak in de pijn die Lambert voelt voor het kapotgemaakte huis, de oude dame van de schouwburgen. Hij heeft gelijk. Het stralende, goudschitterende plafond is goeddeels verdwenen, de rode zetels zijn zwarte kerkhofstoelen en het allerergste is de verdwenen akoestiek. ,,De oude dame is haar stem kwijt,' zoals Thijs het formuleert.

In zijn poëtische weergave van de teloorgang van de schouwburg spreekt Thijs' grote liefde voor zowel het gebouw als het theater. Met juiste details, soms snerpend van opgefokte humor, weet hij de luister van het oude huis weer in de herinnering te roepen. Een theater moet van `rood en goud' zijn, poneert Lambert, en niet van `zilver en blauw'. Dat zijn koude ziekenhuiskleuren, dat maakt van de `Koninklijke' een graftombe.

De monoloog is mooi in evenwicht. De hekelende felheid is minder dan in de roman, wat de afrekening adem geeft. Het slot is ingrijpend veranderd. Geeft het boek de suggestie dat de directeur zelfmoord pleegt door tijdens de openingsceremonie uit het toneelhuis bám naar beneden te springen, nu zet Thijs op verstilde wijze een oude man neer die, na zijn ontslag, als een soort spook van de schouwburg door zijn huis dwaalt, toeschouwers aanspreekt, luistert naar de stemmen van de acteurs of een kleedster troost.

Hij is onzichtbaar geworden, sluipend langs de muren van zijn geliefde theater, het Thalia, de muze van het toneel.

Voorstelling: Een sterke afgang, de voorstelling. Tekst en spel: Ger Thijs. Regie: Gijs de Lange. Gezien: 30/5 Theater aan het Spui, Den Haag. Te zien t/m 7/6. Inl. 070-3465272