DE TRAINING: Tennis

In elke stad, dorp of gehucht kan men het geluid horen: plok, plok, plok. Met tussenpozen van ruim een seconde, in verschillende toonhoogtes en begeleid met zuchten, gedempte vreugdekreetjes en teleurgestelde oehs en aaahs. De tennisbaan, buiten onder de open lucht of overdekt en beschenen door TL-balken. Meer dan zevenhonderdduizend mensen slaan in den lande wel eens een balletje en vaak tot op hoge leeftijd. De gelukkigen onder ons met een goed ontwikkeld bal- en coördinatiegevoel zijn in het voordeel en spelen al snel een fatsoenlijk ogend partijtje, maar het overgrote resterende deel is veroordeeld tot de ons aller bekende tennisleraar of lerares. Die u met zijn of haar aanwijzingen hoop en uitzicht geeft en blijft geven op het eindelijk verslaan van die heimelijk gehate en vooralsnog niet te kloppen tegenstander of het winnen van het clubtoernooi. Die steevast vergezeld gaat van een draadmandje op flamingopoten, waaruit zestig harige ballen op u worden afgevuurd en die u na afloop weer dient op te rapen en vaak liggen die door u verkeerd beoordeelde en foutief geslagen ballen over het hoge hek, in de sloot of onder prikkende struiken. Zodat u minuten later hevig bekrast, met soppende en met kroos bedekte schoenen of met een forse winkelhaak in uw dure tennisoutfit opnieuw maar ongebroken aan de baseline klaar staat voor een volgende slagenwisseling met de man of vrouw die u al zovele jaren trouw ter zijde staat.

Dit is aflevering veertien van een serie over trainen.