Aap, noot, Mies, en jij wordt met dt

Voor de toekomst van Nederland is het belangrijker dat in het onderwijs wordt geïnvesteerd dan tot in lengte van dagen te discussiëren over het financieringstekort, meent Henk Hillenaar.

Velen hebben onlangs met bewondering en vertedering de film Être et avoir gezien, waarin een Franse onderwijzer met eindeloos geduld en toewijding aan een groep kinderen rekenen, lezen en schrijven leert. Menigeen zal daarbij, al kijkend, beseft hebben dat rekenen, lezen en schrijven niet zijn wat ze, oppervlakkig gezien, vaak lijken. Het zijn geen hulpmiddelen die het kind aanleert om zich daarna met de eigenlijke wetenschap te kunnen bezighouden. Rekenen – het hanteren van abstracte tekens – en lezen en schrijven – het omgaan met levende taal – zijn de meest basale en wezenlijke functies van het menselijk brein, waardoor wij ons onderscheiden van andere dieren. Rekenen en lezen zijn het hart van alle weten, alle wetenschap. En wie niet kan schrijven, komt ook niet aan denken toe. Welk vak mensen ook kiezen, goed onderwijs in rekenen, lezen en schrijven blijft een levensnoodzaak.

Nu valt in Nederland het onderwijs in rekenen en wiskunde meestal wel mee. Natuurlijk horen we hierover de nodige klachten, maar die betreffen vooral de tanende belangstelling voor het vak, en de gemakszucht en het gebrek aan ambitie die daaraan ten grondslag liggen. Ons wiskundeonderwijs staat op een hoog peil, ook aan de universiteiten. Van oudsher zijn we meer een volk van rekenaars dan van intellectuelen. In lezen en schrijven echter blijven onze jongeren achter bij wat in buurlanden gepresteerd wordt. Ze lezen meer dan hun buitenlandse collega's, maar leren minder hóe ze teksten kunnen lezen en hoe ze zelf een tekst kunnen schrijven. Nederlandse studenten in het buitenland worden geprezen om hun assertiviteit en een zekere spreekvaardigheid, niet om hun schrijven, hun inzicht en, doodgewoon, hun kennis.

Onvermijdelijk gevolg is het lage niveau van veel leraren en universitaire docenten. Deze bezitten niet genoeg schrijfvaardigheid en niet genoeg parate kennis – historische kennis, feitenkennis, inzicht vooral – om hun vak goed te onderwijzen. Bovendien is er bijna geen ander land waar gewerkt moet worden met zulke grote aantallen leerlingen in één klas, en waar leraren zoveel uren per week verzorgen. Er kán dus ook nauwelijks aandacht besteed worden aan individuele prestaties in lezen en schrijven. Een sleutel tot al deze treurigheid is dat Nederland sinds 1975 ruim 40 procent bezuinigd heeft op onderwijsfinanciën – van 7,5 tot 4,4 procent van het bruto nationaal product.

Er is hier sprake van een blinde vlek in ons culturele bewustzijn. Het onderwijs heeft in Nederland nooit de ereplaats gekregen die het elders inneemt, evenmin als de belangstelling voor taal, literatuur en geschiedenis, verschijnselen die zeker met elkaar te maken hebben. De huidige crisis in het onderwijs zal dan ook niet, zoals een economische crisis, een kwestie zijn van enkele jaren, tot het tij keert. Het zal jaren vergen voor in deze noodsituatie veranderingen kunnen optreden.

Nederlandse universiteitsdocenten doen sinds jaren veel werk dat in Frankrijk, Engeland en Duitsland in het voortgezet onderwijs gebeurt. Overigens wordt de laatste jaren ook in die landen hevig geklaagd over de taalvaardigheid van studenten. De onderwijstraditie dáár zal echter gemakkelijker dan de onze een crisis aankunnen. Frankrijk is geen Frankrijk zonder het opstel in nagenoeg alle schoolvakken, en in Engeland staat het essay even hoog aangeschreven. Ook in Duitsland ligt de nadruk in het onderwijs sterk op tekstanalyse. Bij ons ontbreekt zo'n traditioneel houvast en lijkt de mogelijkheid van afglijden naar taalarmoede veel reëler aanwezig. In Nederland is lezen een liefhebberij en schrijven een talent. Jongeren met dat talent worden schrijver, of journalist. De anderen zien wel hoe ze het redden.

Dat lezen en schrijven ook vaardigheden zijn die je tot op hoog niveau kunt leren, dringt moeilijk door. Die taak, die alle leraren aangaat, wordt overgelaten aan de leraren Nederlands. Het is dan ook een publiek geheim dat veel doctorandi niet kunnen schrijven. Ze hebben een eindscriptie uit hun pen gekregen, maar in feite rammelt iedere tekst die ze produceren. Niet alleen door de taalfouten, daar is wel wat aan te doen, maar door een gebrek aan opbouw en stijl dat minder snel verholpen kan worden.

Ieder land krijgt het onderwijs dat het verdient, las ik onlangs in deze krant.

Voorlopig kunnen we alleen maar dromen van scholen waar iedere leerling, op ieder niveau, iedere dag een uur een wiskundevak, een uur Nederlands en een uur Geschiedenis krijgt, en waar de rest van de tijd verdeeld wordt tussen sport of muziek, en keuzes in vreemde talen en exacte vakken: scholen met kleine klassen, leraren met minder uren, en eerstejaars studenten zonder inhaalcursussen, die zich direct kunnen wijden aan hoger rekenen, hoger lezen, hoger schrijven.

Het huidige lerarenbestand heeft de vorming niet om veranderingen door te voeren. Daarvoor is onderwijsbeleid op lange termijn nodig, met veel aandacht voor taal, én voor rekenen: want ook die 7,5 procent moeten eens terugkomen. Voor de toekomst van Nederland is dat belangrijker dan welk financieringstekort dan ook.

Henk Hillenaar is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.