Zijn naam is echt haas geweest

Hoe komt een dichter aan zijn pseudoniem? François HaverSchmidt, de schrijver van Snikken en grimlachjes, zou tijdens een Haarlems uitstapje in zijn studententijd een man hebben ontmoet die afkerig was van het Leidse gezelschap. Op HaverSchmidts vraag hoe hij heette, antwoordde die man: ,,Piet Paaltjens.'' De studenten doorzagen onmiddellijk dat dit een variant was op `Mijn naam is haas', maar volgens HaverSchmidts biograaf Dyserink maakte dit antwoord zo'n indruk op de jonge dichter dat hij Paaltjens als zijn alter ego koos.

Tot aan zijn tragische dood in 1894 heeft HaverSchmidt de mystificatie volgehouden. Snikken en grimlachjes begint met een `Levensschets' waarin `F.H.' de dichter opvoert als een miskend genie dat voor het laatst in de Friese wafelkraam op de wereldtentoonstelling te Parijs is gezien. In 1870 ging HaverSchmidt zelfs zo ver dat hij een fictieve brief van Paaltjens aan zichzelf schreef. Paaltjens vertelt daarin hoe hij nog altijd op kamers leeft: `nu bij een doodkistenmaker; 's morgens ontwaak ik onder het tikken bij het bekleden der doodkisten. Ik slaap in een doodkist o zo heerlijk. In één woord ik ben thans in mijn element en verlang dan ook niet langer naar het einde.'

HaverSchmidt woonde in zijn studentenjaren zelf op kamer bij een doodbidder, maar toen in 1867 de eerste druk van Snikken en grimlachjes verscheen, lag de studietijd al ver achter hem. Inmiddels was hij dominee in Schiedam, bestuurslid van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en ook van Christelijk Hulpbetoon en de Schiedamse afdeling van Nederlandsch Mettray, een vereniging voor hulp aan verwaarloosde jongens. Bij zijn overlijden werd hij `een vriend der armen' genoemd. In hun nawoord bij de Delta-editie van Snikken en grimlachjes vertellen Marita Mathijsen en Dick Welsink hoe paradoxaal het leven van deze weldoener verliep. De gekscherende ondertoon van zijn verzen ontbrak in zijn dagelijks bestaan. Als `modernist' werd hij door zijn Schiedamse collega's vijandig bejegend. Omdat hij te vrij zou preken werd hij van predikbeurten uitgesloten. In toenemende mate kreeg hij met depressies te maken. Na het plotselinge overlijden van zijn vrouw in juni 1891 verloor hij de greep op zijn `Daemon der mistroostigheid'. Op 19 januari 1894 hing hij zich op aan het koord van zijn bedsteegordijn.

Het is verleidelijk om de thematiek van Paaltjens' verzen rechtstreeks met HaverSchmidts zwaarmoedige leven te verbinden, maar op zo'n visie is het nodige af te dingen. Paaltjens lijkt prima te passen in het sjabloon van de romanticus die zijn tijd niet verdraagt, de spot drijft met conventies en liever de hand aan zichzelf slaat dan een levenslang compromis te sluiten. Rob Nieuwenhuys koos in 1964 in De dominee en zijn worgengel zwaarmoedigheid dan ook als de rode draad van HaverSchmidts bestaan. Zwaarmoedig, aldus Mathijsen en Welsink, was hij zeker, maar als burger functioneerde hij niettemin zoals het een negentiende-eeuwer betaamde. Zijn schrijverschap stond uiteindelijk in dienst van zijn domineesambt. `De tragiek van HaverSchmidt moet dan ook niet in het kunstenaarschap gezocht worden, maar in zijn persoonlijkheid zelf.'

Alle tragiek ten spijt, de drukgeschiedenis van Snikken en grimlachjes is een succesverhaal. Na de eerste druk van vijfhonderd ingenaaide en drieduizend gebonden exemplaren verschenen tijdens het leven van HaverSchmidt nog vijf drukken, en daarna minstens nog eenenvijftig. En ook op internet is de bundel te vinden. Ongetwijfeld is de studentikoze lichtvoetigheid van Paaltjens verzen een belangrijke reden voor dit succes, maar het roept ook vragen op. Zelf herlas ik met een glimlach weer zijn `Immortellen', `Tijgerlelies' en `Romancen'. Van die laatste afdeling maken `De zelfmoordenaar' en `De Friesche poëet' nog altijd de meeste indruk, maar vrolijk stemmend ook is `Des zangers min', waarin Paaltjens de toewijding van een dichter aan zijn liefje beschrijft:

Niet, dat hij echt een liefje heeft;

Hij stelt het zich maar voor.

Dat doen de minnedichters meer;

Daar zijn ze dichters voor.

Het ware leesplezier komt echter van het nawoord van Mathijsen en Welsink. Dat is tamelijk droog, want documentair geschreven, maar het biedt biografische, literair-historische en analytische informatie die niet eerder samen werd gepresenteerd. De auteurs schetsen een helder beeld van het poëtische klimaat in HaverSchmidts tijd, belichten de invloed van Heine en de bemiddelende rol van Eelco Verwijs, en beschrijven de ontvangst van de bundel. Anekdotes en speculaties gaan ze niet uit de weg. Het eerste vers van de dichter van `De zelfmoordenaar', schrijven ze, zou een lierzang zijn geweest op een paar jonggeboren katjes die verdronken werden. Tijdens zijn korte domineeschap in Den Helder zou HaverSchmidt hebben meegewerkt aan de roemruchte mystificatie van het Oera Linda Boek. En Paaltjens' naam blijkt zowaar zelfs haas te zijn geweest. In HaverSchmidts proza figureert immers regelmatig Mr. Franciscus Haas, een substituut-rechter uit de provincie die de schrijver zogenaamd aan onderwerpen hielp voor zijn lezingen.

Het tekstdeel van deze editie van Snikken en grimlachjes was in kundige handen. Wie de voorbeeldig geëditeerde gedichten ten volle begrijpen wil, vindt een toevlucht in bondige aantekeningen, en de illustraties dragen daaraan zinvol bij. Paaltjens is voorlopig weer in de canon verankerd.

Piet Paaltjens: Snikken en grimlachjes. Academische poëzie. Bezorgd door Marita Mathijsen en Dick Welsink. Delta/Athenaeum – Polak & Van Gennep, 157 blz. €19,95