Webers `Euryanthe' in sobere vormgeving

Ruim een eeuw was Euryanthe (1823) van Carl Maria von Weber niet in Nederland te zien. Aan de onstuimige ideeënrijkdom van de partituur lag dat niet, wel aan het wankele libretto. Waar een regisseur al een zware taak heeft aan Webers succesopera Der Freischütz, is Euryanthe dramaturgisch nog veel complexer, en gelaagder. Het verhaal over de gedwarsboomde liefde tussen ridder Adolar en zijn Euryanthe leunt op abrupte stemmingswisselingen, getuigt van stugge edelliedenmores èn heeft een bizarre plotwending. Meesterlijke muziek en niet steeds even overtuigend theater zijn de peilers van deze nieuwe productie.

De voorstelling werd opgehouden door een korte, uitgeloeide speech van FNV-leider Steeph Custers, als kroon op de stakingen die het personeel van de opera eerder deze week organiseerde.

Euryanthe kent felle tegenstellingen tussen goed en kwaad. Regisseur David Pountney, bij de Nederlandse Opera eerder verantwoordelijk voor o.a. De Neus van Sjostakovitsj, vertaalt dat gegeven met decor/kostuumontwerper Tobias Hoheisel en lichtman Wolfgang Göbbel in een voorstelling die in streng zwart en wit is vormgegeven. Conform de middeleeuwse pijlers moed, eer, bloed en trouw is daaraan slechts in de derde akte bloedrood toegevoegd.

Euryanthe ontstond en speelt net als Der Freischütz na het einde van een oorlog. Voor Pountney is dat een sleutelgegeven. Hij situeert Euryanthe in Webers eigen, post-Napoleontische tijd (ca. 1823) en interpreteert de handeling als een strijd tussen nog militair denkende mannen en vredige vrouwen. Als roze draad loopt daaronder de worsteling tussen de weke, vrouwelijke (wit) en harde, mannelijke kant (zwart) van het individu.

Pountneys analyse van het libretto is weloverwogen, tot en met de details doorwrocht en consequent, en rijk aan fraaie en creatieve oplossingen. Maar toen Weber leefde was Freud nog lang niet geboren, en de psychologisering van de handeling botst gevoelsmatig met Webers vroeg-romantisch muziektheatrale wereld. Het is nauwelijks geloofwaardig dat de brave titelheldin zich laat verleiden tot een tongzoen van de boze intrigante Eglantine. Nog bonter is de derde akte, waarin Euryanthe – voor niet gepleegde ontrouw gestraft met een door Pountney godlof slechts gesuggereerde groepsverkrachting – poogt haar vrouwelijkheid met een scherfje te verminken. Grotere gebroken spiegelscherven wijzen daarbij als beschuldigende punten naar het bezoedelde bed. Enigszins lachwekkend is het daarop volgende ballet, waarin krijgslieden in pluizige berenjassen (zwart-winter-kwaad) door wulpse dames (wit-lente-goed) worden afgepeld tot wervelende witte derwisjen die plots openstaan voor hun feminiene kant. Eind goed (wit), al goed (wit).

Op de klassieke schoonheid van het toneelbeeld valt niets af te dingen. Een glooiend landschap van Caspar David Friedrich duikt op achter de blanke zuilencolonnade die het eenheidsdecor vormt. Daar zingt sopraan Gabriele Fontana als de dan nog gelukkige Euryanthe met een gedroomde combinatie van gecontroleerde vocale schoonheid en karaktertekening van ,,Glöcklein im Thale'', terwijl maagden in empirejurkjes haar in gulden licht omringen. Bij Fontanes reliëfrijke muzikale invulling van Euryanthe in haar geluk en ongeluk, steekt de Adolar van de heldere en krachtige tenor Jorma Silvasti met een wat eenvormig vibrato enigszins braaf af.

Tegenover Euryanthe en de koene Adolar staat het fantastisch gecaste wraakduo van de overtuigend vilein zingende ridder Lysiart (Wolfgang Brendel) en Eglantine (Charlotte Margiono). Margiono is op haar best als monsterlijke matrone, die Euryanthe met smerig gelispel en glibberig geïntrigeer te gronde wil richten.

Ondanks het kleine aantal solisten is Euryanthe een drukke opera, en zo oogt zij ook. Daaraan is vooral de prominente rol van het fantastisch sonoor en homogeen zingende koor debet, dat nu eens als een soort Grieks commentaarkoor, dan weer als de beïnvloedbare stem des volks dienst doet.

De muziek van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Claus Peter Flor is van een andere, meer stijlvaste orde dan de regie. Al in de ouverture demonstreert Flor zijn eigen visie. Hij realiseert een doordachte spanningsopbouw en gaat het orkest daartoe voor in de organische mix van Weens-klassieke helderheid en zinderend romantische frasen. Vooral het muzikaal aandeel bewijst dat Euryanthe meer verdient dan een eeuw vergetelheid.

Voorstelling: Euryanthe van C.M. von Weber door de Nederlandse Opera en het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Claus Peter Flor. Gehoord: 28/5 Muziektheater, Amsterdam. Herh. : 1, 4, 10, 14, 16, 19, 22/6. Op 14 en 16/6 live (19.30u.) projectie in het Oosterpark, Amsterdam. Inl. www.dno.nl of 020-6255 455.