VS vraagt uitlevering 37 Nederlanders

Nederland heeft sinds maart vorig jaar 37 uitleveringsverzoeken uit de VS ontvangen, vooral wegens drugsdelicten. Dat is volgens minister Donner (Justitie) substantieel meer dan verwacht toen begin jaren tachtig uitleveringsverdragen met de VS werden gesloten.

Destijds was de verwachting dat het om hooguit één geval per jaar zou gaan. In de afgelopen vijf jaar heeft Nederland vier keer om de uitlevering van Amerikaanse onderdanen gevraagd. Drie verzoeken konden nog niet in behandeling worden genomen omdat de betrokken persoon niet gevonden werd. In één geval was er onvoldoende bewijs geleverd om tot aanhouding over te gaan.

Minister Donner schrijft dit in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van de ontwerpovereenkomst inzake het uitleveringsverdrag dat de Europese Unie op het punt staat te sluiten met de VS. De ministers van Justitie van de lidstaten beslissen daarover volgende week, na anderhalf jaar onderhandelingen met de VS, tijdens hun beraad in Luxemburg.

Donner houdt, ondanks brede kritiek daarop in de Kamer, in zijn brief vast aan zijn standpunt dat hij gedurende de onderhandelingen over het uitleveringsverdrag geen opening van zaken hoeft te geven over de inhoud daarvan. In de Kamer was eerder deze maand breed gedragen kritiek op die beslotenheid. ,,Nederland onderhandelt in het geheim over uitlevering van eigen onderdanen die zelf geen enkele zeggenschap mogen hebben over de conceptteksten'', aldus PvdA-woordvoerster E. Kalsbeek.

Als het Internationaal Strafhof en de VS gelijktijding om uitlevering van verdachten vragen, zal Nederland niet automatisch voorrang verlenen aan het Strafhof. Per geval zal dan worden bekeken aan welk verzoek zal worden voldaan. Een uitleveringsverzoek van het Strafhof krijgt van Nederland wel altijd voorrang boven een verzoek uit een van de lidstaten van de Europese Unie.

Bij een gelijktijdig uitleveringsverzoek van de VS en een EG-lidstaat op basis van het Europees aanhoudingsbevel worden volgens Donner beide verzoeken gelijkwaardig behandeld. In eerder overleg met de minister had de Kamer kritiek op de consequenties voor Nederlandse onderdanen als gevolg van dat uitleveringsverdrag. Met name D66 riep de minister toen op, geen enkele twijfel te laten bestaan over de positie van het Strafhof bij gelijktijdige uitleveringsverzoeken. Ook was er kritiek op de gebrekkige garanties voor Nederlandse verdachten die in de VS als gevolg van dat uitleveringsverdrag berecht kunnen worden. Donner wijst in zijn brief structurele kritiek op het Amerikaanse rechtssysteem van de hand.