Verleid door een Friezin

De Delta-reeks is bedoeld als eregalerij van de Nederlandse letteren. Jacob van Lenneps `De roos van Dekama', een historische roman rondom de nederlaag van de Hollanders tegen de Friezen bij Warns (1345), begint spetterend, maar roept geleidelijk aan de vraag op waarom juist dít boek in deze reeks opduikt.

In het eerste nummer van 1892 publiceerde het tijdschrift De Nederlandse Spectator op basis van lezersonderzoek een literaire top-99, bedoeld om te peilen in hoeverre de Tachtigers tot de lezersgunst waren doorgedrongen. Dat bleek tegen te vallen. Frederik van Eeden haalde met De kleine Johannes een zevende plaats, Gorters Mei kwam op 88, Van Deyssels naam komt in de lijst niet voor. Deze top-99 is intussen een unieke staalkaart van de smaak van die tijd. Onbetwist winnaar werd Hildebrand met Camera Obscura, met Multatuli's Max Havelaar als tweede, De Genestets droefgeestige verzen prijken op nummer drie.

We vinden andere titels die we nog kennen. Zo zijn er lagere klasseringen voor een aantal Multatuli-titels: Woutertje Pieterse (op 24), Vorstenschool (op 27), Ideën (35), Millioenenstudiën (65), Minnebrieven (77). Louis Couperus staat met Eline Vere op 8 en Noodlot op 13, Piet Paaltjens kwam op nummer veertig terecht, vlak vóór De gedichten van de Schoolmeester. Voor de rest is het hiernumaals van 1892 zeker geen hiernamaals geworden.

Prominent in deze top-99 is de historische roman, bijna een derde van het totaal, toenmaals beroemd werk van Bosboom-Toussaint, Schimmel, Van Limburg Brouwer, Wallis, Oltmans of Jacob van Lennep. Eén verklaring voor de enorme, negentiende-eeuwse populariteit van de historische roman (en in de schilderkunst het historiestuk) is de nationale malaise waarin de Nederlander na de val van Napoleon meende te zijn terechtgekomen. Men las graag en gretig over de grootsheid van de Gouden Eeuw, of over de wording van de glorierijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, om zo nog iets van de heerlijke glans op de eigen tijd en zichzelf te voelen stralen.

Ik noemde Jacob van Lennep, patriciër, schrijver, Nederlander van formaat (1802-1868). In 1836 verscheen van zijn hand de breed opgezette, historische roman De roos van Dekama, over de smadelijke nederlaag van Graaf Willem IV van Holland en Henegouwen in de slag bij Warns (1345) tegen de Friezen. Ook in 1892 was dit nog een populair boek: De roos van Dekama prijkt in de Spectator-lijst op nummer 29. Van Lennep is in de bewuste top-99 met nog vijf historische werken vertegenwoordigd, waaronder Ferdinand Huyck zelfs op vijf. De roos van Dekama werd nu opnieuw uitgegeven, in de pretentieuze Delta-reeks (een samenwerkingsverband van verschillende uitgeverijen), in harde kaft, met voorbeeldig wetenschappelijk commentaar van Dr. Joke van der Wiel. Driemaal zoveel lezers van 1892 vonden Van Lenneps Ferdinand Huyck weliswaar beter (vierenzeventig tegen drieëntwintig stemmen), maar dat hoeft niks over deze heruitgave te zeggen.

De roos van Dekama is over het geheel genomen een aardige roman, de openingshoofdstukken zou je misschien tot de top van onze negentiende-eeuwse literatuur kunnen rekenen. Van Lennep is een studieuze auteur, hij heeft zich voor dit verhaal diep de geschiedenis van de veertiende eeuw ingegraven. Hij begint zijn roman met een voorwoord, waarin over de vondst van een manuscript uit die lang vervlogen tijd wordt verteld. Een al in 1836 belegen schrijversmanoeuvre, maar hij werkt, dankzij de gedemonstreerde behendigheid, geestigheid en een stijl die je rustig gedreven mag noemen. Zonder enige reserve laat de lezer zich meevoeren naar het werkelijke begin van het boek, een reeks adembenemende tonelen ter voorbereiding van het centrale drama in het boek: de smadelijke dood van Willem IV bij Warns, maar vooral de liefde tussen ridder Deodaat en de schone Friezin Madzy, ook wel `de roos van Dekama' genoemd.

In de eerste honderd bladzijden zien we een belangrijk romanschrijver aan het werk, onmiskenbaar geïnspireerd door zijn Engelse voorbeeld Walter Scott en deze bij vlagen benaderend. Het duizelt je soms bij de eerste hoofdstukken. Bijvoorbeeld door de kleur waarmee Van Lennep voorspel en apotheose van het riddertoernooi schildert, dat Graaf Willem IV te Haarlem organiseert om zijn terugkeer van krijgstochten in den vreemde te vieren en om zijn macht te consolideren. Hij heeft ook Friezen uitgenodigd. Hij wil ze zijn grootsheid laten proeven, en heeft een boodschap voor hun thuisfront: gehoorzaamheid aan het Graafschap Holland verplicht. Schitterend hoe Van Lennep de Frysk en frije dwarsheid in personages als Seerp Adelen, de bezadigde Aylva, of de schone Madzy tekent. Fraai ook hoe hij in een breed uitwaaierende scène (vol list, bedrog, verraad, koppigheid, nationalisme, diplomatie, hoofsheid, botheid, spanning, ontspanning, en ontluikende liefde bij oorlog aan de lucht) de hoofdlijnen uitzet, samen met een enorm aantal deelintriges. Je bent er bij als lezer, je ruikt de paarden, hoort het wapengekletter en ziet het toernooibloed dat vloeit, en voelt dat er verschrikkelijke dingen te gebeuren staan. Je bladert echter óók vooruit in De roos van Dekama: zal Van Lennep erin slagen al die uitgezette lijnen vóór slotpagina 479 af te hechten?

De tegenwoordige lezer van De roos van Dekama zal moeten wennen aan een aantal eigenaardigheden die de romanstijl van de negentiende eeuw aankleven. Zo worden we herhaaldelijk toegesproken in de trant van `De lezer zal mij goedgunstiglijk eene uitweiding vergeven, die zich hier als van zelve aanbood en mij het ten beste houden, zoo ik, om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende hoofdstuk uitstelle.' Er is verder de `eigendommelijkheid' van de negentiende-eeuwse taal, nog eens versterkt door Van Lenneps beslissing zijn vocabulaire veertiende-eeuws te kleuren met woorden en uitdrukkingen die in 1836 al zeer ouderwets waren en die hij soms in een voetnoot toelicht. Van Lennep verklaart bij voorbeeld het oude woord `made' als `weide' en `zich vermeien' als `je in de buitenlucht op een weide ontspannen'. Het blijft aandachtig lezen, maar je went eraan.

Psychologisch gesproken zou men De roos van Dekama `modern' kunnen noemen. Niet alle karakters zijn even overtuigend, maar over het algemeen vinden we bij Van Lennep vrij genuanceerde persoonlijkheden. Het titelpersonage is een binnen het kader van haar tijd geloofwaardige, vrije vrouw. Als haar beschaafde, gematigde voogd Aylva naar de wapenen grijpt om Graaf Willem te bestrijden begrijpen we dat. Bijfiguren als een groepje valse, roddelende vrouwen worden buitengewoon levensecht neergezet. Realistisch ook is het beeld dat tussen de vijandige kampen over en weer banden en genegenheden bestaan – zo ver liggen Friezen en Hollanders nu ook weer niet uit elkaar. Niemand daarbij is echt slecht of dom, alles blijft mensenwerk, tot en met de vergissing die de krijgservaren Graaf Willem de kop kost. In die zin is De roos van Dekama er niet op uit om het Holland van de negentiende eeuw via de spiegel van het verleden eens flink op te poetsen, hoeveel heldhaftige adel er ook in het boek wordt beschreven. Vooringenomen is Van Lennep duidelijk niet.

Helaas zakt De roos van Dekama in na het spetterende begin, en vervalt Van Lennep tot een gemiddelde dat misschien in 1892 nog als krachtig werd ervaren, maar voor de tegenwoordige lezer ronduit langdradig wordt. We vinden gekunstelde, moeizame dialogen omdat de schrijver anders niet wist hoe zijn informatie aan de lezer over te brengen. Bepaalde zwaktes in de opzet gaan zich wreken als het om de relatie tussen sommige personages gaat, bijvoorbeeld die tussen de beide ridders die twisten om de hand van de schone Madzy. Er ontstaat gebrek aan evenwicht en kramp bij het `afhechten' van alle losse eindjes. Halverwege is het vuur er helemaal uit, afgezien van een enkele opleving is het lezen daarna een corvee. Taak verricht, heus, al sloeg ik hier en daar een bladzijde over – met lange tanden doorgelezen, de laatste hoofdstukken op mijn tandvlees zodanig doorgeworsteld dat de vraag zich voordeed: waarom dit boek als Delta-deel herdrukt? Hadden de Spectator-lezers van 1892 eigenlijk niet gelijk door Ferdinand Huyck drie keer zo mooi te vinden als De roos van Dekama?

De Delta-reeks moet de Nederlandse eregalerij van de literaire glorie bevatten, onze eigen Pléiade. Er verscheen terecht een editie van de winnaar uit 1892: Hildebrands Camera Obscura. Verder Piet Paaltjens bittere Snikken en grimlachjes (zie hiernaast), het meesterwerk Reynaert de Vos, poëzie van de monumentale middeleeuwer Maerlant, Bredero's schitterende stukken Moortje en Spaanschen Brabander, en onvergetelijk proza en poëzie van Guido Gezelle. Werk dat naar mijn smaak in een vaderlandse Pléiade thuishoort, zoals een bloemlezing uit het werk van Bilderdijk dat zou doen, een editie van Gorters klassiek geworden verzen uit 1890 of de nuchter-humoristische Gedichten van de Schoolmeester, en een bloemlezing uit de gedichten van Constantijn Huygens.

Gek genoeg besloot men, vóór Gorters verzen, vóór Bilderdijk, Schoolmeester of Huygens tot een editie van de Gedichten van Jacques Perk, begeleid met wetenschappelijk commentaar van een gewicht waaronder deze volstrekt overschatte conventioneel-poëtische prullariaverzameling bezwijkt. Herman Gorters mythologisch frei-schwebende, door de tand des tijds danig aangevreten Mei (1886) in Delta-editie? We trekken onze wenkbrauwen op. De ouderwets-pedagogische Kleine gedigten voor kinderen van de achttiende-eeuwer Hieronymus van Alphen? Onze belangstelling is lauw.

En Van Lenneps De roos van Dekama? Een herdruk van de populaire fotomechanische reprint van de 1910-editie zoals in 1980 was ook een mogelijkheid geweest. Waarom dan toch niet eerder Ferdinand Huyck in Delta, of de binnenkort ver-tv-filmde roman Klaasje Zevenster? En waarom eigenlijk Van Lennep? Een kluifje voor de moderne biograaf, maar ook getuige De roos van Dekama als auteur nooit helemaal geslaagd. Waar gehakt wordt vallen spaanders. Toch lijkt de Delta-reeks haar editorisch gewicht te vaak op werken te leggen, die deze weelde `zeer bezwaarlijk kunnen dragen'.

Vorig jaar verscheen vanwege de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde de lijst `De Nederlandse canon in honderd en enige auteurs', een lezersonderzoek. Met De roos van Dekama – jawel! – op nummer tachtig. Ferdinand Huyck staat nog altijd hoger – op 62. Toch scoort Van Lennep in mijn ogen niet met stip. Misschien zou de selectiecommissie van de Delta-reeks in die nieuwe canon nog eens verder moeten zoeken naar een titel van klassiek gewicht.

Jacob van Lennep: De roos van Dekama. Een verhaal. Bezorgd door Joke van der Wiel. Delta/Athenaeum – Polak & Van Gennep, 632 blz. €38,50