Tijd om te dansen voor Europa en de VS

Wat wil Amerika met Europa, en hoe moet Europa zich tegenover de VS opstellen? Voor beide partijen hangt het antwoord op deze fundamentele vragen af van het gedrag van de ander, meent Timothy Garton Ash.

Als president Bush morgen in het Poolse Kraków zijn toespraak houdt, zou hij heel Europa deze boodschap moeten voorhouden: wij, de Verenigde Staten, willen een sterke Europese Unie, met een grote samenhang. En als hij dinsdag uit het Franse Evian naar het Midden-Oosten vertrekt, zouden de Europese leiders geantwoord moeten hebben met deze boodschap: wij, de zich dynamisch uitbreidende Europese Unie, willen onze nieuwe identiteit bepalen als bondgenoten en niet als tegenstanders van de Verenigde Staten.

De toekomst van het Westen hangt af van de duidelijkheid en overtuiging waarmee deze twee strategische boodschappen worden overgebracht. Natuurlijk zullen beide kampen politieke geluiden van deze strekking laten horen. Maar kunnen de twee kampen elkaar overtuigen dat ze het echt menen? En menen ze het ook echt?

Sinds Bush voor het laatst in Polen was, in juni 2001, hebben beide kanten van de Atlantische Oceaan elkaar ernstige reden tot twijfel gegeven. Gedurende de hele Koude Oorlog kon West-Europa op de VS rekenen als een consequent aanhanger van de Europese integratie. Toen aan het eind van de Koude Oorlog de Berlijnse Muur viel, werd de beste samenvatting van ons gemeenschappelijke doel gegeven door president George H.W. Bush: ,,Europe whole and free'' – Europa één en vrij. Maar Europa en Amerika werden niet meer verbonden door de gemeenschappelijke vijand – de Sovjet-dreiging – en in de jaren negentig gingen de opvattingen steeds meer uitéénlopen. Alleen bleven de gevolgen beperkt dankzij het liberale internationalisme van de regering-Clinton en de persoon van Bill Clinton zelf, die in Oxford had gestudeerd en bij wijze van spreken Europees ereburger was.

Hierin kwam sterke verandering met de komst van de huidige regering-Bush. De kloof werd verbreed door de verschillende strategische reacties op de aanslagen van 11 september 2001 en het Israëlisch-Palestijnse conflict toen dat in 2002 weer oplaaide. De toestand werd kritiek tijdens de Irak-crisis, toen het Westen in twee kampen verdeeld raakte. Alleen liep de scheidslijn niet door de Atlantische Oceaan, maar dwars door Europa.

Drie dingen waren in dit opzicht nieuw. Ten eerste waren de mate van de onenigheid en de felheid van de kritiek – met name op Frankrijk in de VS en op de VS in Europa – ongeëvenaard, zelfs tijdens de ergste transatlantische geschillen in de Koude Oorlog. Ten tweede bestond in dit grotere Europa, met inbegrip van de postcommunistische landen die binnenkort tot de EU toetreden, een impasse tussen twee groepen Europese landen die elkaar in macht min of meer in evenwicht houden. Ten derde was er het essentiële gegeven dat Washington de verdeeldheid in Europa aanwakkerde en uitbuitte.

Ten dele was dit een reactie op het Franse anti-Amerikanisme en het Duitse pacifisme, die zich gezamenlijk tegen de oorlog met Irak keerden. Maar die tegenstand zelf was voor een deel weer een reactie op het aanvankelijk eenzijdige optreden van de regering-Bush. Van meet af aan koesterde deze een ideologisch wantrouwen tegen internationale organisaties en multilaterale structuren, waarvan de EU misschien wel het meest geavanceerde exemplaar ter wereld is. Van begin af aan had Washington de neiging om te werken met een paar Europese landen die de voorkeur genoten: Groot-Brittannië, Polen, Spanje en eventueel ook Duitsland – totdat Gerhard Schröder het totaal verpestte. Het was geen gelukkige ervaring voor het Amerikaanse leger geweest om de oorlog in Kosovo te voeren in een complex multilateraal bondgenootschap. De neoconservatieven ventileerden de opvatting dat Amerika militair nu zo sterk was en Europa zo nietig, dat de VS de Europeanen echt niet meer nodig hadden. Tegelijkertijd is er een aantal redenen waarom Washington steeds minder van harte een sterk, geïntegreerd Europa steunt: de groeiende economische kracht van Europa, de grote wrijvingen over de handel en het vooruitzicht dat de olie op een dag misschien niet meer in dollars maar in euro's zal worden verhandeld.

Op de vraag de huidige Amerikaanse benadering van Europa samen te vatten, antwoordde een hoge regeringsfunctionaris onlangs met één woord: `verdelen'. Dat wil zeggen dat bepaalde landen, zoals Polen, een voorkeursbehandeling krijgen, terwijl andere, zoals Frankrijk, worden gestraft. Of, om met de Romeinen te spreken: divide et impera – verdeel en heers. In de huidige wereld, met één supermacht en een groter, complexer Europa, zouden de VS deze klassieke imperialistische strategie zeker kunnen blijven volgen. De vraag is: willen ze dat ook? Strookt die strategie met de waarden, de geschiedenis en de gewoonten tot samenwerking die Europa en Amerika gemeen hebben? Is het op den duur in het nationale eigenbelang van de VS als het Westen als geheel voor zulke enorme uitdagingen komt te staan als in het Midden-Oosten en elders op de wereld?

Maar ook Europa moet antwoord geven op een moeilijke vraag, en wel een openhartig antwoord. Wil het een bondgenoot of een rivaal zijn van de VS? In de hoofdstroom van de Europese integratie heeft altijd een sterke traditie bestaan – de gaullistische traditie – die een sterk Europa, nauw verbonden met Rusland, als tegenwicht zag voor de hegemonie van `les Anglo-Saxons'. In de Irak-crisis presenteerde Jacques Chirac, geholpen door een zwak en verward Duits leiderschap, deze gaullistische visie in een lompe, tweedehands versie: de weigerachtige as Parijs-Berlijn-Moskou. Maar er zijn ook diepere krachten die in deze richting stuwen.

Al vijftig jaar zet het democratische, integrerende Europa zich af tegen twee onheilspellende `Anderen' – de Sovjet-Unie en Europa's eigen bloedige verleden. Maar de Sovjet-Unie is er niet meer is en de meeste Europeanen zijn zo jong en weten zo weinig van geschiedenis dat de herinnering aan dat bloedige verleden geen psychologische drijfveer tot integratie meer is. Dus zoeken de Europeanen een andere `Ander' als contrast voor de uitgebreide Europese Unie – die zich op het ogenblik een nieuwe grondwet en een duidelijker identiteit probeert aan te meten. Met grote dank aan George W. Bush, en meer nog aan de Europese karikatuur van hem als Texaanse cowboy, hebben velen die nieuwe Ander in de VS gevonden.

Het gaat hier voor beide partijen om verregaande strategische keuzen. Het heeft geen zin om ter wille van de lachende groepsfoto te doen of deze niet bestaan. Voor beide partijen hangt het antwoord op de grote vraag af van dat van de ander. In de gedenkwaardige woorden van een andere Amerikaanse president (Ronald Reagan, red.) van wie de Europeanen graag een karikatuur maakten, maar die uiteindelijk de weg bereidde voor ons `ene en vrije Europa': `it takes two to tango' – om te dansen moet je met zijn tweeën zijn.

Timothy Garton Ash is verbonden aan het European Studies Centre van het St. Antony's College te Oxford en aan de Hoover Institution van Stanford University.