Spanje krijgt een schop

`De Spaanse Balzac' wordt Benito Pérez Galdós (1843-1920) genoemd, al was hij eerder een tijdgenoot van Flaubert. Liefst zevenenzestig romans schreef Galdós, en ruim twintig toneelstukken. Nog altijd is hij een van de meest gelezen auteurs uit de Spaanse literatuur. Het duurde echter tot 1974 voor zijn roman Tristana in het Nederlands verscheen, vijf jaar later gevolgd door Miau. Pas met het groots opgezette project van uitgeverij Menken Kasander & Wigman dat uiteindelijk zeven titels moet omvatten, kreeg Pérez Galdós in Nederland de erkenning die hem toekomt. De uitgave van zijn magnum opus Fortunata en Jacinta (besproken in Boeken, 22.09.00) vormde daarin het hoogtepunt. Nu is er de hervertaling van Miau door Adri Boon, onder de correcte Nederlandse titel Miauw.

Sociale en politieke kritiek was de drijvende kracht achter de productiviteit van Pérez Galdós. Spanje, na een korte `Glorieuze omwenteling' van liberale snit opnieuw weggezonken in reactionaire indolentie, moest de toekomst worden ingeschopt. Bigotterie, uitvreterschap en kale standenpretentie dienden plaats te maken voor de levenskracht die het volk wel degelijk in zich droeg. Om het land daaraan te herinneren, schreef Pérez Galdós een ruim veertigdelige romanreeks van `nationale episoden' waarin hij duidelijk maakte hoe Spanje in zijn trieste toestand terecht was gekomen. Daarop volgde de reeks `contemporaine romans' waarin vooral de bourgeoisie het moest ontgelden als de kleverige prop pretentie die de doorstroming van het nationale potentieel (de lagere klassen en hun levenskracht) verstopte.

De familie van de werkloze ambtenaar Villaamil is daarvan in Miauw het schoolvoorbeeld. Hij loopt de ministeries af om werk te krijgen, al is het maar voor de twee maanden die hij nodig heeft om een staatspensioen te kunnen krijgen. Zij (`doña Pura') doft zich iedere avond met kunst en vliegwerk op in japonnen die slechts ogenschijnlijk nieuw zijn, om samen met zuster en dochter te verschijnen in het operapubliek, waar zij vanwege hun poezengezichtjes als `de Miauws' bekend staan. De rol- en karakterverdeling is vrijwel gelijk aan die uit de eerder vertaalde roman Mevrouw Bringas, al wordt de echtgenoot van de laatste pas aan het eind van het boek ontslagen. Maar ook zij lijdt aan valse chic en ook hij is een staatsdienaar, want het Madrid van Pérez Galdós is een stad van ambtenaren en kale neten.

Toch steekt Miauw boven veel van de andere `contemporaine romans' uit. Niet door het venijn waarmee doña Pura beschreven wordt, maar door het ingehouden meededogen waarmee Pérez Galdós de tragikomische Villaamil portretteert. Hij is een ambtenaar in hart en nieren. `Leve de sluitende begrotingen!', is zijn lijfspreuk. Maar wanneer hij die, dolgeworden, op zijn dagelijkse bezoeken aan de ministeries luid door de kantoren begint te schreeuwen, wordt hem de toegang ontzegd. Het is de ultieme vernedering van een man die zich, als slachtoffer van een ondoorgrondelijk personeelsbeleid, zelfs door zijn louche schoonzoon voorbijgestreefd ziet.

Met Villaamils zelfmoord in het laatste hoofdstuk maakt Pérez Galdós zich los van de satire. De onverbeterlijke leeghoofdigheid van doña Pura steekt daartegen even wrang af als de met verkneukeling beschreven dorknoper-muizenissen van Villaamils voormalige collega's. Dat contrast maakt Miauw – net als de vorige delen van de reeks door Adri Boon geïnspireerd vertaald – tot een van Pérez Galdós' meest beklijvende romans.

Benito Pérez Galdós: Miauw. Uit het Spaans vertaald door Adri Boon. Menken Kasander & Wigman. 328 blz. €22,50