Penthouse perfexjun

Weer eens verzeild geraakt in het werk van Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935–1992). Vreemde dichter, vreemde gedichten. In weerwil van de vaak wat sombere teneur stemmen ze mij wel vrolijk, of liever: monter, alert, met een scherper oor voor de dingen om me heen. En met een helderder oog voor de vele talen en taaltjes die overal in de lucht hangen. Straatpoëzie zou je het kunnen noemen, maar daarnaast is het ook een kunstig ratjetoe van talen en registers, en snelle overgangen daarin. Aanstekelijk ook. Na lezing bemerke: dinge vanzelluf anders riele subs. in toko hendele – dat soort telegrammeske haspelspraak vormt zich dan vanzelf in je hoofd. Zo begint `(behuizinge)', inderdaad zonder hoofdletter, mét haakjes, zonder slot-n: `,,Wone jullie goed?'' / asked burgervader André / alvorens mij ten stadhuize / 1 doeseur van tien rooie / in ut jat te late stoppe.' Hier zien we al meteen allerlei Vaandrager-karakteristieken bij elkaar. De snelle afwisseling van taal en register, zoals de overgang van het informele `behuizinge' en `wone' naar het formele `burgervader', `alvorens', `ten stadhuize'. Op het waardige `burgervader' volgt het gemeenzame `André'. Een `douceurtje' zou netjes hebben geklonken, maar Vaandrager maakt er een ruige `doeseur' van, zonder zich om de spelling te bekommeren.

Engels, Rotterdams, bargoens, Frans, oud-hollands, statig, plat – het wisselt bijna per woord. De aanleiding voor het gedicht zal de uitreiking, in 1981, van de Anna Blamanprijs zijn geweest, tienduizend gulden, in het stadhuis van Rotterdam, door toenmalig burgemeester André van der Louw. Op de nonchalante vraag van de burgervader of Vaandrager en zijn vriendin goed woonden, had de dichter even nonchalant willen antwoorden: `Tot in deetais.' Of, met een verwijzing naar een regel uit een lied van Roxy Music, even nonchalant, maar dan op zijn Engels: `Penthouse perfexjun.' Maar de werkelijkheid was iets minder luxe. De gemiddelde junk woonde ook toen al niet zo ruim, en de gemiddelde junk was ook toen al iets meer geïnteresseerd in andere deetais dan in die van het interieur. Daar kwam nog eens bij: de gewoonte van Vaandrager om afval en afgedankte spullen om zich heen te verzamelen, met het oog op ooit nog eens te vervaardigen collagekunstwerken – waardoor zijn vele behuizingen in de praktijk nogal gauw onbewoonbaar werden. Het antwoord van de dichter aan de burgervader luidde dan ook, in de slotregels van zijn gedicht: `Behelpe, mun waarde, met twee/ bankstelle, numerieke (tafel) / blade... desk.' Het is op een Reviaanse manier grappig en schrijnend tegelijk. Het zit hem vooral in een duur woord als numerieke, dat wel goed klinkt en nog enigszins de schijn probeert op te houden – en dat dan in combinatie met het verder niet gedefinieerde interieurelement tafelblad. Bedoeld zal wel zijn dat de dichter meer dan één tafelblad tot zijn beschikking had – vermoedelijk zelfs vele, allemaal van de straat naar binnen gesleept. Het geheel vormt dan, eh, om zo te zeggen, gedachtenpuntjes, zoiets als des dichters desk.

Het is verrassend om in deze context van sloopafval en rauwe straatjunkenpoëzie de naam van de gesoigneerde crooner Brian Ferry, zanger van de uitgelezen en stijlvolle, intellectueel verantwoorde, dubbelzinnig decadente kunstacademie-camp-rockband Roxy Music tegen te komen. Horen ze bij elkaar? De formulering van Vaandrager is wat duister en niet gemakkelijk te ontleden, maar lijkt niet op veel sympathie te wijzen: `Wat zingzeg ws. van ons beide / gene ami Brian Ferry? / Penthouse perfexjun.' `Ws.' is waarschijnlijk de afkorting van `waarschijnlijk', `ami' is Frans voor `vriend' en `gene' betekent hier vermoedelijk `geen'. Dus: wat zingzegt Brian Ferry die naar ik aanneem geen vriend van ons beiden is? Geen sympathie, maar toch kende Vaandrager het werk van gene ami blijkbaar goed genoeg om er deze ene regel uit te kunnen lichten. Hij is afkomstig uit `In every Dream Home a Heartache', van het album For your Pleasure, uit 1973.

Het is ook mogelijk dat Vaandrager, ondanks zijn afkeer van de altijd wat bewust aanstellerig zingende Ferry, juist weer wel van dit lied gecharmeerd raakte, omdat het bepaald somber inzet, en somber voortgaat, met een zanger die eerder spreekt dan zingt en die een weinig opwekkende boodschap verkondigt. In every dream home a heartache: elk droomhuis, hoe mooi ook, krijgt zijn leed. Alsof er een dominee aan het woord is, op sombere toon, met afgeknepen grafstem, die zijn gemeente waarschuwt: hoe mooier de behuizing, hoe minder men zich nog thuis voelt. Hoe luxer de inrichting, hoe groter de leegte. Als in een architectonische excursie worden we langs allerlei huizen geleid, maar op de achtergrond klinkt steeds dreigender een zwartgallig mengelmoesmuziekje, met een jengelend orgeltje, een zacht aangeblazen saxofoon en wat kringelend gitaarwerk. Duistere zwelsfeer. En steeds dringt zich in deze litanie de vraag op: `Penthouse perfection/ but what goes on?/ what to do there?' Het mooie is dat Ferry zijn stem dan zo weet te draaien dat hij oprecht benauwd klinkt. Is de spreker zo begaan met het lot van de rijkaards in hun comfortabele paleizen? Is hij oprecht op zoek naar de zin van het leven, zoals uit sommige van zijn vragen (`Is there a heaven?') valt af te leiden?

Dan maakt het lied een wending. De spreker richt zich niet meer tot ons of tot een denkbeeldige zaal, maar tot zijn geliefde: een lofzang op het meisje met haar heerlijk gladde huid, drijvend in het nieuwe zwembad bij zijn bungalow. Bij `penthouse perfection' hoort deze `perfect companion'. Het wrange is, zo blijkt gaandeweg, dat deze dame gekocht is, bij een postorderbedrijf, en dat zij urenlang kan blijven drijven in het zwembad, omdat ze een opblaaspop is. Zij wordt bezongen als de eeuwige geliefde, die altijd nieuw leven ingeblazen kan worden (`my breath is inside you'). Maar tegelijk is de rijke bungalowbezitter ook verslaafd aan haar. Hij moet haar elke dag aankleden. Hij zal altijd eerst aan haar de blow job moeten voltrekken, alvorens zelf aan zijn gerief te kunnen komen. Zonder inblazing geen geliefde. Zonder wegwerppop nog grotere eenzaamheid.

Zo gaat dit nummer dreigend naar zijn ontknoping. Dat er een ontlading moet volgen is vanaf het getergde begin wel duidelijk, maar hoe? Is hier iemand steeds kortademiger doende een pop op te blazen, surrogaat voor het bedrijven van de liefde, op weg naar een ontlading? Of is hier iemand op weg naar een woedeuitbarsting, een wanhoopskreet, een zenuwinzinking, een misdaad? Steeds nerveuzer en afgeknepener zoekt het lied zich een uitweg, om na drie minuten zingzegstrijd uitgeput uit te monden in deze verzuchting: `I blew up your body/ but you blew my mind.'

Daarna volgt explosiemuziek, sferisch aandrijvend en weer wegzwenkend, hoog galmend door de ruimte, één minuut lang, met een zanger die niet veel anders kan uitroepen dan `hartzeer' en `o ho hartzeer', `droomhuishartzeer'. Dan sterft het weg, en is het zestien seconden stil, waarna de sfeerflarden terugkeren om nog weer eens één minuut lang rond te gieren. Vreemde muziek, vreemd lied. Het is essay en smartlap ineen. Het is een aanklacht tegen de tijdgeest, een schrijnend bewijs van de stelling dat geld niet gelukkig maakt, en een toch ook wel geestig portret van seksuele eenzaamheid in de villawijk – met die opgeblazen pop almaar ronddrijvend in het zonovergoten zwembad. Hoe groot is het verschil met Vaandrager. `Hij maakte van zijn hele leven zijn werk, tot op het laatst. Daarom klaagde hij ook niet', zei zijn vrouw Hetty Smink eens. `Dan zat hij in een of ander krot en zei: ik woon hier wel lekker, ik moet alleen nog wat aan het plafond doen, en dan barstte hij in lachen uit.'

Toch zijn er ook overeenkomsten. Vaandrager zou het vermoedelijk niet leuk gevonden hebben om te horen, maar zijn gedichten hebben wel iets weg van de muziek van Roxy Music. Taaltjes, maniertjes, maskerades, genres, registers, in snelle afwisseling, in een half gemeende, half ironische mix: een dikke laag stijl, waaronder veel sentiment is weggestopt.