Ik ben niet erfelijk belast

De nieuwe roman van Nicolien Mizee gaat over een gevaarlijk geschifte Haarlemse familie. Zit de gekte in de genen of ligt het aan de opvoeding?

Schrijfster Nicolien Mizee (38) spreekt een deftige vorm van Algemeen Beschaafd Nederlands die je doorgaans alleen nog hoort in oude radiofragmenten. Ze woont dan ook in Haarlem, waar men het zuiverst Nederlands zou spreken. Met haar poes Juno deelt ze een mooi appartement met uitzicht over het centrum. In die stad, waar ze is geboren en getogen, speelt haar tweede roman, En toen kwam moeder met een mes, over decoratieschilderes Ida die probeert te ontsnappen aan haar keurige, maar – in haar ogen – krankzinnige familie.

De vraag hoe haar familie op de roman heeft gereageerd, leidt meteen tot een wantrouwende wedervraag. ,,Heb je iets gehoord van de Andriessens?''

Nee, ik heb niets gehoord, maar Toen kwam moeder met een mes is onder andere opgedragen aan Mizees overleden oom Frans Willem Andriessen, telg uit het befaamde kunstenaarsgeslacht dat onder anderen de beeldhouwer Mari Andriessen en de componisten Hendrik, Louis en Jurriaan Andriessen heeft voortgebracht. In de roman is Ida's moeder afkomstig uit een artistieke en excentrieke familie. Moeder is bij tijd en wijle zwaar gestoord en dat geldt ook voor haar broers en zusters en voor haar drie dochters. Als een zwaard van Damocles hangt een op stapel staande tv-documentaire over de familie boven alle personages. Zal die documentaire, waarvoor talloze ooms, tantes, neven en nichten worden geïnterviewd, uitwijzen dat ze met hun gekte erfelijk belast zijn of – nog erger – zal blijken dat ze zich ten onrechte boven anderen verheven voelen omdat ze eigenlijk maar heel gewoon zijn?

Elf jaar geleden maakte Ireen van Ditshuijzen de televisiedocumentaire Wij Andriessen over de vraag of het kunstenaarsschap dat van generatie op generatie wordt overgedragen het resultaat is van erfelijkheid dan wel opvoeding. Mizees hoofdpersoon, de neurotische Ida, stelt zich die vraag met betrekking tot de gekte in de familie. Zit die in haar genen of ligt het aan haar opvoeding? Is zij gedoemd of kan ze iets aan haar problemen doen?

Nicolien Mizee, die drie jaar geleden verrassend debuteerde met de roman Voor God en de Sociale Dienst, over de onaangepaste lesbische scenarioschrijfster Cilia, beaamt dat de familie van haar moeder in zekere zin model heeft gestaan voor de familie van Ida's moeder: ,,In mijn boek gaat het over de terreur van de goede smaak en dat is authentiek. Maar de meeste anekdotes en verhalen zijn verzonnen. Mijn oudoom, de beeldhouwer Mari Andriessen, heb ik in de roman gebruikt. Maar Ida geeft een vervelende indruk van hem die niet klopt met de werkelijkheid. Ze zegt bijvoorbeeld dat hij maar een heel klein beetje goed was in de oorlog. Maar oom Mari was echt een held, die geweldige dingen heeft gedaan. Het negatieve beeld dat Ida heeft van die familie, is projectie. Ze vindt zichzelf niks. Ze denkt: mijn familie is krankzinnig en trouwens de hele wereld is gek geworden en vergaat. Aan het eind van het boek, als ze haar leven beter onder controle heeft, denkt ze daar anders over. Toen kwam moeder met een mes is niet mijn visie op de familie Andriessen. De verhalen over dichtgenaaide vagina's en stoma's heb ik in de loop der tijden van andere mensen gehoord.''

Vers bloed

Het romanthema doet denken aan Louis Couperus' De boeken der kleine zielen, over een in verval rakend Haags geslacht. ,,Een geweldig boek. Ik heb het er niet op nageslagen, maar het kan niet anders dan dat het een rol heeft gespeeld, omdat ook die familie steeds idioter wordt. En dan trouwt Addie met zo'n stevige gezonde meid die misselijk wordt van al die malle types.''

Bij Couperus zit daar een sociaal-darwinistische ideologie achter: als er geen vers bloed in dat decadente geslacht wordt gepompt, valt het niet te redden. Het lijkt of Ida haar familie ook zo beschouwt. De een is nog gestoorder dan de ander: schuldcomplexen, dwangneuroses, smetvrees, hulpeloosheid, krankzinnigheid. Aarzelend geeft Mizee toe dat ze als kind ook dacht dat haar familie reddeloos verloren was. ,,Maar dat had vooral betrekking op ons gezin, niet op de familie Andriessen. Ik kwam niet veel bij de Andriessens over de vloer. Behalve dan bij Frans Willem, de jongste broer van mijn moeder. Hij was een goede vriend van mij. Hij had een pianowinkel in Haarlem en staat model voor Ida's oom Melchior, nog de meest waarheidsgetrouwe figuur in mijn boek. Van tevoren heb ik tegen hem gezegd: wat dacht je ervan als jij in mijn nieuwe boek ging voorkomen? Hij vond het oké. Dus ik begon te schrijven, maar een jaar geleden, toen ik op de helft van mijn boek was, verdronk hij in zee. Hij was in een mui terechtgekomen vlak bij strandpaviljoen Parnassia. Ik zat met dat boek en ik moest door met Melchior, ondanks mijn verdriet.''

Nature of nurture, aanleg of opvoeding: daarover handelde Van Ditzhuijzens documentaire en daarover breekt ook Ida zich het hoofd. In hoeverre komen de denkbeelden van Ida over erfelijkheid versus opvoeding overeen met die van Nicolien Mizee zelf? ,,Ida denkt voortdurend: wij zijn gedoemd, alles komt aan het licht. En ik, Nicolien, vind dat grote onzin. Ik denk: Ida, kind, maak wat van je leven. Als kind heb ik wel vaak gedacht: oh wat verschrikkelijk allemaal, die familie. Maar aan de andere kant wist ik: dat klopt niet.''

De roman geeft een trefzeker beeld van de verwarring bij kinderen wanneer ze allerlei tegengestelde signalen krijgen. ,,Je krijgt te horen dat plat praten verkeerd is. Dan zegt je moeder dat de buurman die plat praat toch best een héle aardige man is. Maar ondertussen. Daar mag dan niet over gesproken worden. Vervolgens komt er een leuke nieuwe werkster die ook plat praat, maar wel gezellig met je moeder koffie drinkt. Hoe kan dat nou? Ik zocht naar allerlei rangordes om houvast te krijgen. Precies zoals Melchior een onwrikbare hiërarchie aanbrengt in de muziek. `Bach is natuurlijk geweldig'. Hij poneert dat als iets wat bewijsbaar is. Hij heeft het gevoel dat het ook de norm in zijn familie is en dat zijn familie beter is dan de rest. Dat is kinderlijke onzin, maar hij voelt het zo. Daar probeert hij objectieve maatstaven voor te verzinnen maar dat lukt niet.''

Pijnlijk voor Melchior is dat hij er niet in slaagt zijn normen en smaak over te dragen op zijn dochter met anorexia. ,,Hij denkt: ze groeit op in een bepaalde sfeer en dan gebeurt dat vanzelf. Zo is het bij Ida en trouwens bij mijzelf ook gegaan. Bij mij thuis is nooit gezegd: plat praten deugt niet of Bach is de grootste. Dat wás gewoon zo. Je wist niet beter. En het is heel moeilijk om je te realiseren: het is allemaal onzin wat ik heb geleerd, we zijn helemaal niet beter, Bach is niet de beste want ik houd veel meer van ABBA. Als kind kún je dat niet, je loopt het gevaar je houvast te verliezen als je voortdurend denkt: alles wat mijn moeder mij geleerd heeft, is fout. In mijn boek heb ik daar wel voor gekozen. Ida zegt één keer dat ze iets anders vindt en wordt verstoten. Haar moeder belandt om die reden in de psychiatrische inrichting Vogelenzang! 't Is een enorm dogma, die opvoeding.''

Dus de opvoeding is de schuld, niet de erfelijkheid?

,,Ook de erfelijkheid. Maar ik denk dat je de plicht hebt om dat te doorbreken. Hoe je kunt breken met je genen? Door je hersens te gebruiken, en dat doet Ida ook. Ik heb nog wel overwogen om haar – net als Addie in De boeken der kleine zielen met dat frisse volkse meisje – een stevige polderjongen op de deurmat van de familie te laten zetten, maar dat leek me niets voor haar. Ik vind relatieproblematiek trouwens niet interessant. Uiteindelijk loopt het redelijk goed af met Ida. Wat haar redt is haar hang naar de waarheid: kijken hoe de dingen in elkaar zitten. In het begin heeft ze veel flash-backs – nieuw voor haar, want ze heeft nooit aan haar jeugd teruggedacht. Dan begint ze opeens tegen haar moeder te schreeuwen, een ruzietje dat nergens over gaat, maar er wel toe leidt dat die moeder wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ida denkt: wat een rust, heerlijk. En dan breekt het besef door dat ze deze rust moet handhaven en daarvoor iets moet doen. Ze opent eindelijk de brieven van de woningbouwvereniging, ze gaat naar de sociale dienst voor een uitkering, ze neemt een zwerfkat in huis. Ze gaat het leven zien zoals het is. Voltaire zegt: hark je tuintje aan. Dat komt in mijn boek ook voor. Ida die de vervuilde tussenkamer van haar zus Trude gaat opruimen. Dat was een van de moeilijkste scènes om te schrijven. Ik zat bijna te huilen achter mijn computer. Zo afschuwelijk vond ik het. Had ik mijn eigen leven eindelijk wat op orde en toen moest ik het weer over zo'n vieze tussenkamer hebben. Een tussenkamer is het middendeel van je leven, daar moet je doorheen, dat zijn keuzes, waarvan je pas achteraf de betekenis ziet.''

Ida lijdt als kind aan dwangneuroses die haar keuzemogelijkheden beperkten. ,,Die kinderdingen zijn tamelijk autobiografisch. Ik wilde schrijven over de grote waarheidsgevoelens die ik had als kind. Voortdurend denken: hoe kom ik er dichter bij. Wat je later herkent in verhalen over psychoses: `Ik ben ER dichtbij.' Waar dichtbij? Ja, dat weet je juist niet. Bij `HET' waardoor alles duidelijk zal worden. Ida wil zulke ervaringen oproepen omdat ze verkronkeld is in haar hoofd, gekweld, ze kan niet tegen de spanningen thuis en ze zoekt een uitweg. Het is een religieus verlangen. Ze wacht op verlossing.''

Zelf is Mizee niet religieus opgevoed en dat vindt ze jammer. ,,Dat katholieke van de Andriessens was in onze generatie al opgehouden. Wij zijn eerder politiek opgevoed. Mijn vader, leraar Nederlands, was links, zonder wijzende vinger. Als we aan het fietsen waren en een auto sneed ons, riep hij `vuile VVD'er'. Dus wij dachten dat een VVD'er hetzelfde was als een klootzak. Toen de vader van een vriendinnetje een keer zei: `Ik stem op de VVD', dachten wij dat hij bedoelde: ik ben een klootzak. We wisten niet dat mensen daar voor uit durfden komen. Als we thuis vroegen: wat is dat dan, een VVD'er, werd er gezegd: die willen dat de rijken rijker worden en de armen armer.''

Kruisen slaan

Ondanks het gebrek aan een religieuze opvoeding noemt ze zichzelf diep religieus: ,,In die zin dat ik denk dat er voor mij één weg te gaan is. Ik geloof in een lotsbestemming, waar je niet te veel over moet nadenken. Je moet gewoon doen wat je nodig acht. Als ik een boek schrijf over mijn familie en ik pijnig me met de gedachte: daar ga ik mensen mee kwetsen, schiet ik daar niets mee op. Je maakt een keuze, maar tegelijk maakt de keuze jou. Op een gegeven moment denk je: wie wat ook zegt, ik moet dit doen. Ik dacht: ik schrijf dat boek en als God, m'n geweten of m'n familie me straft, dan merk ik dat wel.''

Ida zegt in het boek: moeder buiten de deur houden en de kat verzorgen is mijn taak in het leven. Dat ervaart ze als een belangrijk inzicht en het blijkt overeen te komen met de manier waarop Mizee nu in het leven staat. Heel anders dan na de verschijning van haar eerste boek, toen ze zich in interviews nog presenteerde als mislukkeling. ,,Ik ben veranderd'', zegt ze. ,,Het heeft me moeite gekost om te erkennen dat de dwangneuroses waar ik als kind aan leed onzin waren, dat er niets waardevols in zat. Ik heb lang gedacht dat mijn dwangmatige handelingen een doel dienden. Maar 't is stilstand. Je wordt een gevangene van jezelf. Zoals Ida, die in het boek voortdurend kruisen moet slaan, steeds grotere, en bang is dat leraren of anderen dat zien. Daar had ik ook last van. Met mij is het misgegaan toen ik naar het Stedelijk Gymnasium in Haarlem ging. Ik kon nooit de weg vinden en werd steeds gekker. Ik durfde mijn jas niet in de buurt van andere jassen te hangen omdat ik dacht dat ik besmettelijk was. Met dat soort dingen was ik bezig. Uiteindelijk ben ik naar het volwassenenonderwijs gegaan. Later heb ik gereconstrueerd dat ik als kind een depressie heb gehad. Op mijn veertiende droomde ik dat ik zelfmoord had gepleegd. Ik zag mezelf liggen terwijl een schim van mij rechtop ging zitten. En ik dacht: ik ben dood, maar ik wil niet dood. Die schim ging weg en het was afgelopen. Ik werd wakker en was ontzettend blij dat ik nog leefde.''

Arbeidsongeschikt

,,Vanaf mijn zestiende ging het langzaam beter. Ik merkte dat ik goed mijn woordje kon doen en ik zag er leuk uit. Maar ik bleef heel lang denken: dit is niet echt. Dat is pas verdwenen na Voor God en de sociale dienst. Ik was afgekeurd en kwam in de WAO voor jong-gehandicapten. Mijn boek was goed ontvangen, maar ik was bang dat dat opgevat zou worden als: zo, dat gaat goed, kom er maar weer bij. `Er bij', zouden dan de mensen en de banen zijn. Ik was bang voor de dwang, de plicht.''

Mizee werd, na tien jaar in de bijstand, op psychische gronden arbeidsongeschikt verklaard. Als ze ergens moet werken, staat ze het volgende moment weer op straat. Daar kan ze niets aan doen, ze lijdt aan onaangepastheid. ,,Ik ben geabonneerd op het blad van de Algemene Gehandicapten Organisatie met artikelen als `In een rolstoel, maar toch naar Corsica'. Dat gaat over mijn soort mensen. Het verschil is dat je mijn handicap niet kunt zien en dus heb ik me vaak schuldig gevoeld over mijn uitkering. Dat is eigenlijk pas overgegaan toen ik afgekeurd werd. Voor mij voelde het alsof ik werd goedgekeurd. Nu mag ik zijn wie ik ben. Ida heeft dezelfde handicap. Maar ze leeft geïsoleerder dan ik en ze heeft meer dan ik het idee dat ze erfelijk belast is.''

Behalve aan haar verdronken oom is het boek Toen kwam moeder met een mes opgedragen aan Mizees tien jaar geleden overleden broer Bastiaan, slachtoffer van suikerziekte en medische missers. ,,Hij was 25, ik 28, het was vreselijk. Maar ik weet nog goed dat mijn oudste zus en ik een aantal maanden erna concludeerden dat het erg is om iemand te verliezen, maar dat het nog erger is om jezelf te verliezen. Prins Claus zei: een depressie is het ergste wat je kan overkomen. Dat was een hart onder de riem voor mij. Op de dood van mijn broer reageerde iedereen met compassie. Bij al mijn moeilijkheden werd alleen maar met ergernis gereageerd. Toen mijn broer overleed had ik het zure gevoel: `O, nú mag ik het moeilijk hebben. Nou dat valt anders wel mee. Als dat het verschrikkelijkste is wat me kan overkomen, dan kan ik de rest van het leven ook wel aan.' Ik had een moment van inzicht. Bastiaan is dood, nou ga ik ook maar weg bij de psychiater. Als je altijd met irrationele angsten leefde en je bent daar eindelijk overheen, dan denk je: niemand pakt me mijn vrijheid meer af. Zelfs Balkenende niet met z'n WAO-plannen. Daar ga ik geen minuut van wakker liggen.''

Ze heeft al ideeën voor een nieuwe roman. ,,Mijn eerste twee boeken gaan over mensen die het goed bedoelen. Ik wil nu onderzoeken wat slechte bedoelingen zijn. Het gaat me om het vinden van een waarheid, omdat je daar iedere keer weer iets nieuws in ontdekt.''