Hoe zwak en ijdel is de elite

De Russische cultuur van voor de revolutie is, zo luidt de gemeenplaats, een zaak van de aristocratie. Anders dan in West-Europa leverde de adelstand de grootste schrijvers, filosofen en componisten; de bourgeoisie was als groep te klein en had onvoldoende ontwikkeling en status om zich aan het artistieke te wagen. Toch is er een periode geweest waarin die bourgeoisie cultureel de toon aangaf in Rusland, al duurde haar hegemonie nauwelijks meer dan twintig jaar (1895-1917). Deze kleine, gemankeerde Russische middenklasse was desalniettemin een van de meest vooruitstrevende en ambitieuze van Europa en haar emanciperende werking was, gezien het landschap waarin ze ontstond, onovertroffen. Anton Tsjechov, Igor Stravinsky, Isaiah Berlin, Anna Achmatova, George Balanchine en Sergej Prokofjev, zijn enkele van haar meest prominente leden.

De meest gevierde beeldend kunstenaar aan het begin van deze periode was Valentin Serov. Serov groeide op in een hoog aangeschreven cultureel milieu; zijn opvoeding stond geheel in het teken van de extreme beschavingsidealen die destijds opgang deden in Rusland en die genoegzaam bekend zijn uit de biografieën van Stravinsky en Nabokov. Enige moederliefde ontving de jonge Valentin niet, maar toen bleek dat hij tekentalent had, werd alles in het werk gesteld om hem te omringen met de beste leraren. Op zesjarige leeftijd kwam hij terecht in de kundige handen van Ilya Repin, destijds de bekendste en meest geachte schilder van Rusland.

Elizabeth Kridl-Valkenier, die eerder een baanbrekende monografie over Repin schreef, richt zich in haar nieuwe boek op diens meest succesvolle leerling. Ook in dit boek geeft zij weer veel aandacht aan de maatschappelijke factoren die de carrière van de kunstenaar vormgaven. De rol van het nieuwe burgerlijke mecenaat komt uitgebreid aan de orde. Serov gebruikte de groeiende pluriformiteit van de kunstmarkt om zich te ontworstelen aan de utilitaire pretenties die de kunst van Repin en zijn school dicteerden. Serov portretteerde de adel, maar vooral de nieuwe, rijke industriëlen. Zijn adembenemende schilderkunstige virtuositeit, nooit geëvenaard in Rusland, verzekerde zijn succes.

Wanneer Serov al ter sprake komt in westerse kunstgeschiedenissen, wordt hij vaak vergeleken met westerse portrettisten van de maatschappelijke elite zoals Singer-Sargent en Boldini. Maar die vergelijking is in veel opzichten onterecht. Serovs portretten zijn dubbelzinniger, ze zijn minder vleiend en zitten vol met onderhuidse satirische verwijzingen. Valkenier legt uit hoe Serov zijn commentaren verpakt in de compositie van zijn schilderijen en de poses van zijn modellen. Door de directheid en natuurlijkheid waarmee zij zich tot de beschouwer wenden wekken ze naast bewondering vooral vaak gêne. Typerend is het portret dat Serov maakte van Tsaar Nicolaas II. Geen Europese monarch liet zich ooit zo ongedwongen en intiem portretteren als juist deze wereldvreemde, onzekere, dictatoriale schlemiel. Ongeveinsd menselijk en zonder schroom kijkt hij ons aan en juist daarin ligt de subtiele kracht van het portret. Enerzijds kan de geportretteerde niet anders dan behaagd worden door de natuurlijkheid en elegantie van het schilderij, anderzijds is het onderliggende commentaar voor iedere toeschouwer glashelder. In dit geval: `zonder de luister, het protocol en het toebehoren van de monarchie is deze tsaar een mens als u en ik: zwak, ijdel en kwetsbaar. Houd op hem te vereren'.

In veel opzichten vertegenwoordigt Serov het allerbeste van het korte burgerlijke tijdperk in de Russische cultuur. Hij was beschaafder, kritischer en verdraagzamer dan de kunstenaars die voor en na hem kwamen; respectievelijk de wat boerse Repin en de ronduit botte visionairen Malevitsj en Tatlin. Zijn intellectuele terughoudendheid leidde ertoe dat hij vernieuwingen verwelkomde, maar zichzelf slechts langzaam en gedoseerd liet meeslepen. Was hij echter overtuigd, dan durfde hij wel degelijk zijn eigen opvattingen drastisch aan te passen. Ook daarin onderscheidt hij zich sterk van eerder genoemde Singer-Sargent en Boldini.

Typerend is zijn reactie op de kennismaking met de vroege West-Europese avant-garde, met name Matisse. Hij is eerst enthousiast en verwonderd over Matisses heftige kleuren, maar verwerpt diens aversie voor de normen van de laat negentiende-eeuwse schilderkunst. Hij blijft Matisse echter volgen en na enige tijd probeert hij zijn eigen schilderkunstige antwoord te formuleren. Dat leidt tot een scherpe breuk in Serovs artistieke productie. Het portret dat hij maakt van de naakte danseres Ida Rubinstein en de paar werken die hij maakt naar Grieks-mythologische thema's, combineren avant-gardistische vernieuwingen met de elegantie, ironie en beschaving die zijn salonportretten kenmerken.

Het feit dat Serov trendvolger en niet trendsetter was, zal wel weer een reden zijn voor westerse kunsthistorici om hem te negeren. Maar wie niet meer gelooft in die blijkbare onuitroeibare mythe van de immer revolutionaire kunstenaar, ziet in Serovs laatste premodernistische schilderijen een kunstenaar aan het werk die weinig concurrenten heeft. Toen Serov op eenenveertig jarige leeftijd stierf, leek hij pas aan het begin te staan van wat zijn meest productieve en artistiek succesvolle periode had kunnen worden. Dat de wereld dit niet heeft mogen meemaken, kan geen reden zijn om niet met nieuwe aandacht naar Serov te kijken. Het lucide en scherpzinnige boek van Valkenier mag daar de eerste aanzet toe zijn.

Elizabeth Kridl-Valkenier: Valentin Serov, Portraits of Russia's silver age. Northwestern University Press, 288 blz. €41,55