Het is beter om te blunderen

Schrijvers die zich met de wereld willen bemoeien, hebben moeite hun evenwicht te bewaren. Hoe kun je voorkomen dat een goedbedoelde aanklacht potsierlijk wordt?

Over de voetangels en klemmen van het engagement in nieuwe boeken van de Israëlische schrijver David Grossman en de Indiase auteur Arundhati Roy.

Omdat we in gepolariseerde tijden leven, zal een schrijver die zinnige uitspraken wil doen over dit tijdsgewricht het steeds meer moeten zoeken in de nuance – met als risico dat wat hij aankaart verloren gaat. Daar hebben schrijvers die het grote gebaar niet schuwen en die oproepen tot liberale jihads, meer `allochtone' personages in de Nederlandse literatuur of een algeheel verbod op exportgoederen uit Israël geen last van.

Met dit soort uitstapjes in het publieke debat is succes verzekerd. Even laait er een polemiek op en is de schrijver het gesprek van de dag. Maar het succes voelt uiteindelijk leeg aan. De schrijver laat zien dat hij meer kan dan metaforen bakken, om er vervolgens in zijn werkkamer achter te komen dat de opwinding van de krantenpagina's de roman waaraan hij werkt geen centimeter verder op weg helpt. Hij voelt zich al snel ingehaald door goed ingevoerde journalisten die het naadje van de kous weten, die minder met hun mening zwaaien, maar cijfermateriaal en het beschrijven van de gebeurtenissen voorop stellen.

Wie zich engageert, heeft tijd over en wie tijd over heeft is eigenlijk niet serieus met zijn vak bezig. Dat is de teneur in Nederland, waar engangement en literatuur op een onbewaakt ogenblik afscheid van elkaar hebben genomen, onder de belofte elkaar de komende vijftig jaar te zullen blijven ontwijken. Wie toch stug doorgaat, wordt weggerelativeerd: zou een groenteboer met dezelfde mening net zoveel aandacht hebben gekregen? Het publieke debat als een dagje markt op de Albert Cuyp: de grootste schreeuwer wint. Auteurs die echt de bakens weten te verzetten, blijken vaak specialisten te zijn die proberen zo nuchter mogelijk de feiten te achterhalen om van daaruit conclusies te trekken. Of het is een journalist die zich jarenlang heeft ingegraven in dossiers, met een bandrecorder talloze getuigen is afgegaan en tot een aantal ontnuchterende conclusies is gekomen over de val van Srebrenica of de passiviteit van de Verenigde Staten inzake genocide. Op de lange duur gedijt het debat beter bij dit soort bijna wetenschappelijke prestaties dan bij welke scherpe column dan ook.

De Israëlische romanschrijver David Grossman hangt een beetje tussen tussen deze twee typen in. Uit zijn nieuwe bundel stukken over de actualiteit, uitgegeven onder de sinistere titel Angst vreet de ziel op, blijkt dat hij de feiten door en door kent. Hij heeft die aan den lijve ondervonden, want Grossman was een van de eerste Israëlische schrijvers die de bezette gebieden bezocht en de verhalen van de Palestijnen aldaar optekende. Maar hij is ook een schrijver die het niet kan laten mooi te schrijven.

Het vredesproces tussen Palestijnen en Israëliërs ligt op zijn gat, al lijkt er met de recente roadmap voor de vrede weer enig schot in de zaak te komen. Zo gemakkelijk als de Amerikanen Irak aan hun voeten kregen, zo moeilijk is het om langs diplomatieke weg vrede af te dwingen. De Palestijnen, onder leiding van Abu Mazen, staan met de rug tegen de muur en hebben de eigen bevolking niet in de hand. Israël laat veiligheid boven alles prevaleren en is nauwelijks bereid tot concessies. Wie de oorsprong van die Israëlische houding wil begrijpen, hoeft maar een paar bladzijden in Angst vreet de ziel op te lezen.

David Grossman kreeg wereldfaam als auteur van fantasierijke romans als Zie: liefde (1990) en Het Zigzagkind (1996). Meer dan vijftien jaar geleden trok hij naar de bezette gebieden om Palestijnen te interviewen. Hij gaf ze in Over de grens (1991) een naam en een gezicht, haalde ze uit hun doodgezwegen positie binnen Israël.

Dat is inmiddels veranderd. Grossman beschouwt de wereld in Angst vreet de ziel op nadrukkelijk vanuit zijn werkkamer. Nergens wordt de vraag gesteld of die manier van beschouwen een teken van wijsheid of juist van falen is. Misschien is het te gevaarlijk op straat of heeft geen Palestijn meer zin om hem te woord te staan, al kan je je niet aan de indruk ontrekken dat Grossman er bewust voor heeft gekozen te blijven zitten waar hij zit.

Wat heeft Grossman te vertellen dat de groenteboer niet weet? De groenteboer kan vast en zeker niet zo schrijven als Grossman en door zijn positie als gevierd schrijver zal hij ook sneller mensen bereiken die niet snel over het Midden-Oosten lezen. De in de loop van de afgelopen tien jaar in diverse buitenlandse kranten verschenen stukken zijn bewust geschreven als de impressies van een schrijver, van iemand die zoekt naar een beeld of metafoor om daarmee iets duidelijk te maken. Zo laat hij een taxichauffeur in Jeruzalem het bezoek van de paus becommentariëren, schrijft hij een brief aan een Palestijnse vriend – en een aan Sharon.

Koele analyse zit ook in het boek, maar teleurstelling, woede en verbijstering maken de grondtoon uit. De lichte, speelse toon uit Grossmans romans heeft plaats gemaakt voor een nuchtere en tegelijk bezwerende manier van schrijven. Zoals een schrijver misschien past, wil Grossman, hoe moralistisch hij ook is, boven de partijen staan, wat hem uiteindelijk niet lukt. In romans is ontsporing op zijn plaats, maar de blik op de wereld moet vergezeld gaan van verstand en ordening – het liefst in een opvallende, eigenzinnige vorm. Als nuchtere non-fictie iets niet kan hebben, is het wel het toegeven aan details, de hoofdwegen verlaten om over de zijpaden te kuieren. De schrijver van non-fictie kan uiteindelijk, zoals een rechter, uitspraak doen over de gebeurtenissen en schuldigen aanwijzen. Een romanschrijver kan dat niet. Zodra een roman als een processtuk leest, legt men het weg. Grossman is zich van dat onderscheid scherp bewust.

Alle ontwikkelingen van het afgelopen decennium passeren de revue: de Oslo-akkoorden, de thuiskomst van Arafat in Gaza, de moord op Rabin die de toch al slecht verteerde Oslo-akkoorden definitief naar de prullenbak verwees, de opkomst van havik Sharon, die een eind moest maken aan de greep van angst voor zelfmoordaanslagen waarin Israël verkeerde, en het begin van de tweede intifada. De `Dispatches from Jeruzalem', zoals de ondertitel van de Engelse vertaling van Angst vreet de ziel op treffend luidt, moeten gelezen worden als de directe reacties van een bezorgde Israëlische burger die zijn dilemma's keer op keer opnieuw bevestigd ziet door een zelfmoordaanslag of een mislukt vredesoverleg. Omdat Grossman vanuit Jeruzalem schrijft, gaan de stukken uiteindelijk over wat Israël beroert, bedreigt en hoop geeft. Zijn eerdere oriëntatie op de Palestijnen is verdwenen. De blik in de ogen van de `tegenstander' heeft plaatsgemaakt voor abstracte discussies over onderwerpen als het recht op terugkeer naar Israël van gevluchte Palestijnen.

Sommige artikelen hebben in Palestijnse kranten gestaan, maar Grossman schrijft niet voor de Palestijnen. Hij laveert voortdurend tussen de verdediging van het idee en het land van Israël en de noodzaak van rechtvaardigheid en genoegdoening voor de Palestijnen. Hij vraagt in een brief aan een Palestijnse vriend waarom geen enkele Palestijnse intellectueel de zelfmoordaanslagen heeft veroordeeld. In een andere column spreekt hij hardop zijn twijfels uit over het recht op terugkeer. Hoe gerechtvaardigd de aanspraak op het land waarvan de Palestijnen verdreven zijn ook is, Grossmans conclusie is `nee'. Als een Arabische meerderheid het voor het zeggen zou krijgen in Israël, zou het langs democratische weg een einde kunnen maken aan het joodse karakter van de Israëlische staat, om het land zo op te laten gaan in een Palestijnse zusterstaat. Zodra het belang van Israël in het geding komt, gaat bij Grossman de deur op slot. Misschien is dat een effect van de laatste tien jaar: vrede is niet mogelijk en daarom worden er geen concessies meer gedaan op wezenlijke vraagstukken. Een trieste conclusie.

Wie wil lezen wat dit dilemma voor gevolgen heeft in de alledaagse realiteit van de afgelopen tien jaar, moet Drinkend uit de zee van Gaza ter hand nemen. Amira Hass – een Israëlische journaliste uit een joodse, communistische, Midden-Europese familie – die schrijft voor de liberale krant Ha'aretz, is uit ander hout gesneden. Als bewogen journalist moet ze haar werkkamer wel verlaten. Ze heeft niet het talent en de troost van een grootse stijl. Een schrijver kan opgaan in een personage, een detail of een groots overzicht, de journalist ontbeert die gave en moet schrijven over wat hij ziet. Hass is een stuk geëngageerder dan Grossman, ze heeft stelling genomen in een menselijk laboratorium en meldt ons de resultaten. Ze kiest openlijk partij voor de Palestijnen van Gaza. Hier is het Israël dat tekortschiet: militair, economisch en humanitair. Sterker nog, Israël was gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn hooghartige houding.

Hass beschrijft hoe Gaza militair, economisch, politiek en sociaal met handen en voeten gebonden is aan Israël. Ze wisselt degelijke beschouwingen over de toestand van de economie af met bijvoorbeeld verslagen van hoe haar vrienden lange uren in de rij voor de grenspost naar Israël moeten doorbrengen. Het zou gemakkelijk zijn om dit boek te lezen als een grote aanklacht tegen de bezetting, maar tegelijkertijd ontstijgt het dat niveau omdat Drinkend uit de zee van Gaza zo diep ingaat op de samenlevingsstructuren in Gaza. Hass besteedt bijvoorbeeld aandacht aan de onderdrukte positie van de vrouw en de opkomst van fundamentalistische partijen. In een mengeling van reportage, interview en hard cijfermateriaal laat ze zien hoe de economie achteruit is gehold. Daarna schuift ze weer aan bij vrienden voor een sigaret of ontvlucht ze Gaza in de benauwende Ramadan-maand. Gaza zit op een bepaald moment niet alleen in Hass, maar ook in de lezer, en het wordt zo het symbool van alles dat er in de afgelopen tien jaar is gepoogd – en volledig is mislukt.

In een ander deel van de wereld is een andere schrijver in beweging gekomen om haar land de maat te nemen. Haar werkmethode lijkt op die van Grossman toen hij begon met het schrijven over het Palestijns-Israëlische conflict. Grote kennis van de actuele situatie combineert ze met betrokkenheid bij de slachtoffers. Maar waar Grossman afstand bewaart, omdat hij weet dat hij zich beweegt in een andere wereld, die hem voor een deel vijandig is, is de vereenzelviging van Arundhati Roy met de onderdrukte massa in India volledig. Roy is veel meer dan Grossman een activist en ze kiest juist openlijk partij. In haar gebundelde artikelen Oneindige gerechtigheid heeft ze meer weg van Hass, al opereerde die onder moeilijker omstandigheden.

Met Oneindige gerechtigheid stelt Arundhati Roy het brutale, moderne en corrupte gezicht van India aan de kaak, zoals V.S. Naipaul en Salman Rushdie dat eerder deden. Maar waar Rushdie en Naipaul de malaise van India hebben verwerkt in romans, is het land voor Roy een politiek strijdveld waar nog veel valt te verdedigen en ook valt te winnen. Rushdie en Naipaul zijn schrijvers die vanaf een afstand naar dat vreemde amalgaam van tijd en ruimte keken, Roy is inwoonster van Delhi.

Met haar debuutroman De God van de kleine dingen won Roy de Booker Prize. Daarna liet ze een tijd niets van zich horen. Door het overweldigende succes moet ze een tijd lang danig van slag zijn geweest. In de ogen van de buitenwacht hing ze haar schrijverspen aan de wilgen, maar Roy zelf ziet de nu gebundelde artikelen als voortzetting van haar schrijverschap.

Toch horen deze stukken niet thuis in de literatuur, en ook niet in de journalistiek. Het zijn aanklachten. Je leest ze enigszins hoofdschuddend: onder de indruk van haar bewogenheid, maar ook verbaasd over het geloof van een schrijver die met de pen in de hand denkt te kunnen winnen van de machthebbers. Maar toch, om een citaat van George Steiner aan te halen, is het beter om de fout te maken van het idealisme, om dan vervolgens op grenzen te stuiten, dan om blundervrij door het leven te strompelen omdat je nooit echt voor een idee hebt gevochten. Liever Sartre dan de groenteboer. Maar dan wel met een houding die in deze wereld zonder grenzen, de grenzen weer opzoekt – in plaats van op een steenworp afstand van de Albert Cuyp luidruchtig te rebbelen over wat er in wereld aan de hand is.

Roy kiest ervoor om niet, zoals Grossman, literair te schrijven. Alsof ze de problemen die ze aansnijdt daarvoor te belangrijk vindt. Hier maakt ze een cruciale fout. Ze ruilt de zachte pen in voor het eentonige ritme van de gelijkhebberige tamtam. De omslag kwam enkele jaren geleden toen ze het gebied rond de Narmad-rivier in Noord-Oost India bezocht. `Het was mijn intuïtie die me ertoe bracht Joyce en Nabokov terzijde te leggen, het lezen van Don DeLillo's belangrijke boek uit te stellen en dat te vervangen door rapporten over afwatering en irrigatie, door tijdschriften en boeken en documentaires over stuwdammen, en waarom die worden gebouwd en wat ze doen', schrijft ze. Een gebied met 25 miljoen inwoners zou door een kolossaal dammenproject desastreuze ecologische en sociale veranderingen ondergaan, meent Roy. Vierduizend vierkante kilometer natuurlijke loofbossen zouden onder water komen te staan en geruïneerd worden. Meer dan 30 miljoen mensen zouden volgens Roys berekening het gebied moeten verlaten. De staat toonde zich ongevoelig voor de humanitaire en ecologische argumenten en gaf de voorrang aan de belangen van de landbouw en grote particuliere ondernemingen. Bovendien werd het project gefinancierd door de Wereldbank, dus moest er niet gezeurd worden. Maar Roy blijft zeuren en ze zeurt met argumenten. Haar verslag is een regelrecht j'accuse.

Je zou kunnen zeggen dat Roy haar writer's block heeft weten om te vormen tot een nieuwsgierige blik op de wereld, waar ze hartstochtelijk over schrijft. Ze richt zich direct en indirect tot de elite van India, die ze egoïsme en opportunisme verwijt. Het is altijd precair als een schrijver voor een publieke zaak gaat staan en die met hand en tand verdedigt. Men kan makkelijk hysterisch of wereldvreemd overkomen. Roy loopt dat gevaar ook. Het vertrouwen in moedertje India is ze kwijt, maar ze gelooft wel heilig in de kracht van de Indiër: `Bhaiji Bhai, Bhaiji Bhai, wanneer word je eindelijk kwaad? Wanneer houd je eindelijk op met wachten? Wanneer zeg je eindelijk: ,,Nu is 't genoeg!'' en grijp je naar de wapens, wat voor wapens dat ook mogen zijn? Wanneer toon je ons eindelijk de volheid van je vreeswekkende, onoverwinnelijke kracht?'

Roy legt ook de Amerikaanse belangen van het inmiddels failliete bedrijf Enron bloot in de energiesector van India. Hier komt haar visie op de globalisering en de rol van de Verenigde Staten het duidelijkst naar voren. India kan zelf de energiebronnen niet meer verkopen. Niet omdat de expertise en efficiëntie ontbreken, maar omdat het land buitenlandse valuta nodig heeft. Na de privatisering van de energiemarkt moeten burgers plotseling een prijs gaan betalen die zes keer zo hoog is als bij de voormalige staatsbedrijven. Omdat India geen eigen opbrengsten meer heeft uit de energieverkoop, zal het land in de toekomst opnieuw moeten aankloppen bij buitenlandse banken om de schulden te kunnen aflossen. Met deze uitzichtloze spiraal wil Roy laten zien dat er geen eerste- en derdewereldproblemen meer bestaan, maar dat alles in elkaar grijpt.

Hoe dapper en goed bedoeld ook, toch behoud je het ongemakkelijke gevoel dat Roy zich te ver buiten haar werkterrein heeft begeven. Na lezing van Oneindige gerechtigheid stijgt de bewondering voor Hass, die elke steen in Gaza kan aanwijzen en kan vertellen waarom hij daar ligt, die al haar moed en eigenzinnigheid op de mat legt, en toch journalist blijft. Roy heeft zich laten meevoeren op een storm van engagement. De vraag blijft of ze ooit zal terugkeren in haar werkkamer, zoals Grossman, of dat ze niet zal rusten voordat alle ogenschijnlijk eindeloze problemen van India de wereld uit zijn. Dat is uiteindelijk de koorddans die iedere min of meer idealistische schrijver moet maken: hoe ver kun je gaan met aanklachten, zonder dat het potsierlijk wordt, zonder dat waar het je oorsponkelijk om ging – het pure schrijven – in het gedrang komt.

David Grossman: Angst vreet de ziel op. Berichten uit een oorlog die niemand winnen kan. Cossee, 160 blz. €14,90

Arundhati Roy: Oneindige gerechtigheid. Prometheus, 299 blz. €21,95. Vertaling van The Algebra of Infinite Justice, Harper Collins, 336 blz. €20,09

Amria Hass: Drinkend uit de zee van Gaza. Dagen en nachten in een belegerd land. De Balie, 350 blz. €20,–