Hartstochtelijk overtuigd van zijn koele calculaties

Stresemann, wie was dat ook al weer? Die vraag hoor je niet gauw stellen over Otto von Bismarck of Konrad Adenauer. Toch kan Gustav Stresemann (1878-1929) gelden als een Duitse staatsman van vergelijkbaar formaat. Zes jaar lang, tot aan zijn vroege dood in oktober 1929, drukte hij een stempel op de binnen- en buitenlandse politiek van de Weimarrepubliek. Maar zelfs bij de professionele geschiedschrijvers is hij er tot nu toe bekaaid afgekomen. De Brit Jonathan Wright, fellow aan de universiteit van Oxford, is pas de tweede historicus die een complete biografie aan hem wijdt, nadat de Fransman Christian Baechler hem in 1996 voorging. In Duitsland heeft tot nu toe nog niemand zich aan deze onderneming gewaagd.

De politieke loopbaan van Stresemann is verbonden met enkele gewaagde, zo niet kwellende vragen die het hart raken van de Duitse geschiedenis in de twintigste eeuw. De eerste luidt of zelfs Stresemann, de belangrijkste politieke persoonlijkheid van de Weimardemocratie en de architect van de verzoening met Frankrijk, een opportunist was die Duitsland slechts een adempauze wilde verschaffen ter voorbereiding van een gewelddadige revanche op de nederlaag van de Eerste Wereldoorlog en herstel van de keizerlijke autocratie. Even heikel is de vraag of Stresemann, als hij niet in 1929 op 51-jarige leeftijd was gestorven, Hitler had kunnen tegenhouden. Deze speculatie leidt al gauw tot het verwijt dat de verantwoordelijkheid voor het massaal ondersteunde nationaal-socialisme wordt weggeschoven met een beroep op het toevallige feit van een vroegtijdige dood.

Jonathan Wright schroomt niet om ook op deze delicate `als'-vraag een antwoord te geven. Hij beklemtoont dat Stresemann als leider van de kleine centrum-liberale DVP grote problemen zou hebben gehad om, in het door een massale werkloosheid geteisterde Duitsland, Hitler de pas af te snijden. Niettemin had hij volgens Wright de eerste verkiezingsoverwinning die de nazi's in september 1930 boekten kunnen beperken. Hitler haalde een kwart van zijn 18 procent van de stemmen weg bij de DVP: dat zou zeker minder zijn geweest als Stresemann nog de leider van die partij was geweest. Ook zou Stresemann er vermoedelijk in zijn geslaagd om de regeringen die na zijn dood van de ene blunder naar de andere misser strompelden, beter op koers te houden. Hij was de enige politicus, aldus Wright, die beschikte over de persoonlijke statuur om het politieke concept van democratie en vrede een kans te geven in de slag met de dictatoriale en agressieve plannen van Hitler. Hij doorzag al in de jaren twintig, zo beklemtoont Wright, de ware aard van de nazi's en zou zich beslist verzet hebben tegen de mede door zijn DVP ondersteunde troonsbestijging van Hitler in januari 1933.

Deze biograaf betoogt overtuigend dat Stresemann een oprecht democraat en een vredelievende Europeaan was. Het is onweerlegbaar dat de in 1878 geboren Stresemann de schijn tegen had toen hij in 1923 rijkskanselier en minister van Buitenlandse Zaken werd: het eerste ambt behield hij slechts een jaar, het tweede zes jaar. Sinds hij in 1907 op 28-jarige leeftijd lid werd van de Rijksdag, steunde hij zonder voorbehoud het agressieve nationalisme van Wilhelm II. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Stresemann tot het bittere einde een geharnast voorstander van de expansionistische doelstellingen van de legertop. Ook over de toekomstige positie van de keizer nam hij in deze periode een hard standpunt in, dat moeilijk verenigbaar was met de constitutieel-democratische hervormingen die na de oorlog onontkoombaar werden.

Wright toont echter overtuigend aan dat Stresemann nadien een forse en blijvende zwenking doormaakte. Hij was een tacticus voor wie standpunten vooral pragmatische en instrumentele waarde hadden. Maar Stresemann was tegelijk meer dan een opportunist. Al snel besefte hij dat in het heftige verdeelde Duitsland, waar extreem-rechts en extreem-links elkaar – en de democratie – naar het leven stonden, een burgeroorlog alleen was te voorkomen als het systeem van Weimar overleefde. Zo was er ook in de Europese verhoudingen geen redelijk alternatief voor de verzoening met Engeland en Frankrijk. Een hernieuwde confrontatie zou opnieuw leiden tot nederlagen en vernederingen. Het bijzondere van Stresemann was dat het resultaat van deze calculaties een harstochtelijke overtuiging werd. Zijn redevoeringen noch zijn uitspraken achter de schermen laten op dat punt ruimte voor twijfel.

Stresemann bleef een overtuigde patriot, maar hij wist dat Duitsland alleen invloed kon herwinnen langs de weg van de samenwerking. Hij had één troefkaart in handen: de integratie van zijn land in de Europese economie was ook in het belang van andere naties en werd krachtig ondersteund door de Verenigde Staten. Dankzij Amerikaanse leningen werd een regeling overeengekomen voor de herstelbetalingen en na 1925 kwam het economische herstel in Duitsland snel op gang. In dat jaar ondertekende Stresemann het verdrag van Locarno en legde zo de basis voor een goede relatie met Frankrijk.

In de tweede helft van de jaren twintig veranderde het perspectief van de Europese politiek drastisch in positieve zin. Met de ontruiming van het Rijnland door het Franse leger werd een belangrijke Duitse grief weggenomen. Stresemann hoopte dat op den duur ook een vreedzame herziening mogelijk zou zijn van het in Versailles afgedwongen verlies aan Duits grondgebied. Een militair avontuur sloot hij uit. Zijn politiek werd gesteund door het katholieke centrum en de sociaal-democratie, die met zijn DVP fragiele coalitieregeringen vormden. Die breekbaarheid was mede het gevolg van de problemen die Stresemann met zijn eigen partij had: ook daar voerden fanatieke revanchisten campagne tegen zijn politiek. Zij deinsden niet terug voor een fluistercampagne over de slechte invloed die hun leider zou ondergaan van zijn joodse vrouw.

Hoe kreeg hij het voor elkaar om niet alleen de DVP in het gareel te houden, maar ook nog eens als leider van deze partij – die zelden meer dan tien procent van de stemmen behaalde – telkens weer coalities te smeden en bovendien als minister van Buitenlandse Zaken de Europese politiek in stabiel vaarwater te brengen? Het raadsel wordt alleen maar groter als men foto's van Stresemann bekijkt: een gedrongen en kaalhoofdige figuur met uitpuilende ogen, een pafferig gelaat en een vlassige snor. Niet wat je noemt een een charismatische verschijning. Helaas laat Wright het hier afweten. Hij noemt de bijzondere kwaliteiten van Stresemann (goed organisator, knap redenaar, charmeur in het persoonlijke contact), maar weet zijn hoofdpersoon geen moment tot leven te brengen. Weimar's Greatest Statesman is een overtuigend, maar ook een bleek boek.

Binnen een paar jaar na zijn dood stortte het politieke gebouw dat Stresemann had geconstrueerd in elkaar. De rechts-extremistische hordes waren niet meer te stuiten. Was zijn zesjarige slijtageslag in de strijd voor democratie en verzoening daarmee voor niets geweest? Liet hij te weinig achter? Kort na de verkiezingsoverwinning van Hitler in september 1930 hield Thomas Mann zijn beroemde geworden toespraak `Appell an die Vernunft', die ook een lofrede was op de een jaar eerder gestorven Stresemann. De Duitsers, aldus Mann, lopen niet in groten getale achter Hitler aan omdat ze van nature radicale racisten zijn. Heel veel landgenoten waren volgens hem wanhopig geworden doordat na de rampen van Versailles en de hyperinflatie ook nog eens een economische crisis was gevolgd, die tot massale werkloosheid had geleid. En doordat ze de enige politicus hadden verloren die vertrouwen wekte. De herinnering aan zijn persoon was volgens Mann van grote betekenis. Stresemann vormde het levende bewijs dat er ook in extreem moeilijke omstandigheden een ander Duitsland mogelijk was.

Jonathan Wright: Gustav Stresemann. Weimar's Greatest Statesman. Oxford University Press, 569 blz. €46,50