Casablanca

TWEE WEKEN na de terreuraanslagen in Casablanca, die meer dan veertig dodelijke slachtoffers en honderd gewonden eisten, heeft de Marokkaanse koning Mohammed VI aangekondigd dat zijn regering harder gaat optreden tegen het fundamentalisme. Al direct na de aanslagen begreep iedereen dat er een Marokko van voor en van na 17 mei zou zijn. De plannen om het toerisme te bevorderen als alternatief voor de afhankelijkheid van de landbouwsector, zijn na `Casablanca' onder druk komen te staan. Dit jaar zal de oogst overvloedig zijn, maar op lange termijn moet Marokko zijn economie verbreden en terreur vertraagt buitenlandse investeringen.

De aanslag kan ook negatieve gevolgen hebben voor de burgerlijke vrijheden. In zijn toespraak waarschuwde de vorst dat ook diegenen worden aangepakt die de vrijheid hebben misbruikt om de autoriteit van de staat te ondergraven, waarmee vooral de onafhankelijke pers bedoeld werd. Onder koning Mohammed VI hebben politieke discussie en persvrijheid een ruimte gekregen die betrekkelijk uniek is in de regio. Dat de pers toegang kreeg tot de plekken van de aanslagen was hiervan een uitstekend voorbeeld. De grotere invloed van de geheime politie en het leger in de bestrijding van de terreur kan deze ontwikkeling echter doorkruisen. De veroordeling, vorige week, van hoofdredacteur Ali Lmrabet van het weekblad Demain tot vier jaar gevangenisstraf – omdat hij onder meer de begroting van het koninklijk huis had gepubliceerd – is wat dit betreft een veeg teken. Terecht is de vraag gesteld of de autoriteiten niet beter hun energie hadden kunnen steken in onderzoek naar gewelddadige moslimextremisten, in plaats van aan te jagen achter de hoofdredacteur van een satirisch weekblad. Een pers die niet aan de leiband van het regiem loopt, verhoogt juist de politieke kredietwaardigheid van een regering.

IN HET FUNDAMENTALISME ligt de gemeenschappelijke noemer van alle angsten. Marokko heeft zich altijd gelukkig geprezen dat het niet, zoals buurland Algerije, te kampen heeft met fundamentalistische terreur. Nu deze illusie aan scherven ligt, klemt de vraag eens te meer hoe te handelen met de sterk gegroeide fundamentalistische Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (PJD) en de fundamentalistische sociale beweging Al Adl Wal Ihssane van sjeik Yassine. Beide bewegingen hebben onderstreept dat zij geweld als politiek middel uitsluiten. Maar het is onmiskenbaar dat in hun kielzog extreme groepen zijn ontstaan die het geweld niet schuwen: de veertien zelfmoordterroristen waren allen Marokkanen, waarschijnlijk behorend tot een lokale salafistenbeweging, gelieerd aan het Al-Qaeda netwerk.

De aanslagen in Casablanca, kort na die in de Saoedische hoofdstad Riad, zijn een bewijs dat de oorlog tegen het terrorisme allerminst gewonnen is. Terrorismebestrijding is een kwestie van inlichtingen- en politiediensten. Minder spectaculair dan oorlog, maar wel zo effectief. Het feit dat Amerikaanse en Franse terreurspecialisten gezamenlijk op de plek van de aanslagen in Casablanca zijn gesignaleerd, stemt daarom hoopvol.

Voor Europa is de aanslag in Casablanca slecht nieuws. Andermaal blijkt dat er niet veel nodig is voor een zelfmoordaanslag. Marokko is bovendien een land dat in plaats van een verre plek steeds meer een nabije buur is geworden, waarmee de economische en sociale banden sterk zijn. De Marokkanen verdienen steun in hun strijd tegen de terreur en bij hun streven naar democratische vernieuwing. Direct, door samenwerking met de veiligheidsdiensten, en indirect door handelsovereenkomsten die de economie van het land kunnen stimuleren.